Anatomie en fysiologie van de spijsverteringsorganen

Om een goed begrip te krijgen van het gehele spijsverterings- en stofwisse­ lingsproces, is het belangrijk kennis te hebben van de bouw en samen­ stelling van de organen die bij deze processen betrokken zijn. Een orgaan is een eenheid die een bepaalde levensfunctie heeft. Het hart bijvoorbeeld heeft als functie het rondpompen van het bloed, de maag heeft een functie in de spijsvertering. Hoewel de bouw van deze organen, afhankelijk van hun functie, verschillend is, zijn de organen gevormd met dezelfde soort bouwstenen, namelijk de cellen.

 

Cellen en hun kenmerken

Cellen verschillen onderling qua vorm en grootte, maar hebben een aantal gemeenschappelijke kenmerken:
1. Cellen zijn zeer klein; ongeveer 0,001 mm! Ze zijn dus met het blote oog niet te zien.
2. Cellen bevatten:
• cytoplasma, dit is een substantie van water, eiwitten, vetten, zouten en andere stoffen
• een kern (meesta l centraal gelegen) die het functioneren van de cel bestuurt.
3. In de 1j:e llen vindt stofwisseling plaats.

Over de cel valt nog iets meer te vertellen. De cel heeft een celwand – ook wel celmembraan genoemd – die een begrenzing vormt tussen het milieu-inte­ rieur (alles binnen in de cel) en het milieu-exterieur (alles buiten de cel). Dit celmembraan is geen afgesloten geheel, maar is enigszins doorlaatbaar. Dit is van groot belang voor de stofwisseling; voor de aanvoer van voedingsstoffen en afvoer van afvalstoffen.

In het cytoplasma bevinden zich verder nog kleinere stru ctur en, die wel celor­ ganellen noemen. In een van deze celorganellen, de mitochondriën, vindt de daadwerkelijke stofwisseling plaats.
Er zijn verschillende soorten cellen, elk met een eigen functie, bijvoorbeeld spiercellen, zenuwcellen, botcellen of bloedcellen.

Transport
Het celmembraan is in zekere mate doorlaatbaar. Sommige stoffen kunnen het membraan zonder moeite passeren, anderen hebben daarbij wat hulp nodig. Ook zijn er stoffen die het membraan helemaal niet binnen kunnen treden. De cel gaat hierbij selectief te werk. Het passeren van het membraan noemen we transport.

We onderscheiden twee transportvormen:
• diffusie: een stof kan zonder problemen het membraan passeren. Diffusie wordt ook wel passief transport genoemd
• actief transport: een stof kan het membraan alleen passeren met behulp van een hulpstof; dit proces kost energie.

Osmose
De doorlaatbaarheid van het membraan is niet altijd even groot. Men vermoedt dat bepaalde hormonen daarop van invloed zijn.
Een andere term die betrekking heeft op doorlaatbaarheid is osmose.
Osmose= diffusie door een halfdoorlaatbaar membraan (semipermeabel membraan).

Voorbeeld osmose
We geven een voorbeeld ter verduidelijking.
Stel: we hebben een bak met in het midden een halfdoorlaatbaar membraan. Zowel in de linkerhelft (= B) als in de rechterhelft (= A) bevindt zich water.
Water kan zonder meer het membraan passeren. Er vindt voortdurend uitwis-seling plaats van water door het membraan, ook al is dat niet te zien. De situatie is volledig in evenwicht.

Nu voegen we aan de helft A zout toe, dat in het water oplost. We spreken nu van een zoutoplossing in A, en van water in B.
Het zout kan het membraan niet passeren, daarvoor zijn de in het water opgeloste zoutkristallen te groot. Zout neemt bovendien meer ruimte in, waardoor het niveau in A stijgt.

Verhoudingsgewijs is de in A de hoeveelheid water afgenomen: in A zit bijvoorbeeld nu 5% zout en 95% water; in B zit 100% water. We zeggen nu dat de concentratie van water in A verlaagd is; er zit dus minder water in A dan in B.

Het evenwicht dat er in de beginsituatie was tussen A en B is verstoord. Dit evenwicht moet weer worden hersteld; in beide helften moet de concentratie water weer gelijk worden. Daardoor zal er water uit helft B via het membraan naar helft A verhuizen. Dit heeft twee gevolgen:
1. Doordat de concentratie van water in A weer toeneemt, neemt de concen­ tratie van zout door de verdunning met water af. Verhoudingsgewijs daalt het zoutgehalte en stijgt het watergehalte.
2. Het waterniveau in B zal dalen, het water niveau in A stijgen.

In helft A bevindt zich nu meer vloeistof dan in B. Dit hogere niveau oefent een tegendruk uit die ervoor zorgt dat er ook weer water uit A via het membraan naar B zal stromen. Er stelt zich een nieuw evenwicht in.

Osmotische druk
Deze tegendruk, die een nieuw evenwicht veroorzaakt, noemen we osmotische
druk (= de druk die wordt uitgeoefend door de concentratie van de opgeloste stoffen in een vloeistof).
Deze verschijnselen komen ook in het bloed voor en worden osmotische verschijnselen genoemd .


Afb. 1. Osmose.

Ook daarin is weer onderscheid:
1. hypotonie – onderspanning
2. hypertonie – bovenspanning
3. isotonie – gelijke spa n ning.

We spreken van hypotonie wanneer zich aan de buitenkant van de cel een oplossing bevindt met een lagere concentratie dan die in de cel. Het water zal dan van de buitenkant van de cel via het membraan naar binnen komen: de cel zwelt op. Als er in de bloedvaten minder zout zit dan in de cellen, zal vocht zich uit de bloedvaten naar de cellen verplaatsen om het osmotische evenwicht te herstellen. De bloedvaten raken dus vocht kwijt, de cellen nemen vocht op.

We spre ken van hypertonie wanneer zich aan de buit enkan t van de cel een oplossing bevindt met een hogere concentratie dan die in de cel. Het water zal zich verplaatse n uit de cel naar de buitenkant van de cel: de cel verschrompelt.
Als er in de bloedvaten meer zout zit dan in de cellen, zal er vocht uit de cellen verhuizen naar de bloedvate n.

We spreke n van isotonie als de concentratie van de oplossin gen zowel binnen de cel als aan de buitenkant precies gelijk is. Als er in de bloedvaten evenveel zout zit als in de cel, hoeft er geen vocht verplaatst te worden.

Deze osmotische verschijnselen vergen vooral bij spo rtv oedin g veel aandacht, omdat sportdranken worden gebru ikt om osmotisc he verschijnselen in het lichaam te verhelpen. Op die manier beïnvloeden ze de spo rtpre staties.

Taken van de cel
De cel heeft een aantal belang rijke taken in het lichaam :
1. De cel zorgt voor de stofwisseling.
2. De cel zorgt voor de groei; omdat een mens groeit van baby tot
volwassene, moeten er steeds meer cellen komen. De cel kan zelf een nieuwe cel maken door zich te delen. Eerst deelt de kern zich in tweeën, zodat de cel tijdelijk twee kernen bevat. Daarna deelt het cytoplasma zich in tweeën, waardoor er twee afzonde rlijke cellen elk met een eigen kern ) ontstaan.
3. De cel zorgt zelf voor vervanging; we hebben hiervoor gezien dat de cel nieuwecellen kan maken. Zou dit proces eindeloos doorgaan, dan zouden we alsmaar doorgroeien. Er sterven echter ook cellen af; onze huid schilfert af, en ook als we een wond hebben, raken we cellen kwijt. Deze worden aangevuld met nieuwe cellen. Er is dus steeds een proces van afbraak en aanmaak van cellen.

Weefsels en hun kenmerken

Wat is weefsel precie s? We hebb en gezien dat er verschillende soorten cellen bestaan. Als voorbeeld kijken we naar sp iercellen. Als er een grote groep van spiercellen – die naar bouw en functie bij elkaar horen – zijn gebundeld, spreken we van s pierweefsel.

We onderscheiden vier verschillende soorten weefsels:
1. epitheelweefsel
2. steunweefsel
3. spierweefsel
4. zenuwweefsel.

Epitheelweefsel
Epitheelcellen liggen zeer dicht aaneengesloten zonder veel celtussenstof. Daardoor vormen ze een goede barrière tegen negatieve invloeden van buitenaf. Het epith eelweefsel bevindt zich dan ook op die plaatsen waar het lichaam contact maakt met de ‘buitenwereld’,zoals de huid, maar ook de darmwand. De buitenwereld is dus alles buiten het lichaam, zoals lucht, aarde, voorwerpen etc.

Het epitheelweefsel heeft de volgende functies:
a. Beschermin g van de onderliggende weefsels. Goede voorbeelden zijn de huid, die ons lichaam beschermt tegen vuil en bacteriën, en de slijm­
vliezen, die eveneens bacterië n en andere ziekteverwekkers buitensluiten. )
b. Uitwisseling van stoffen: bijvoorbeeld bij de spijsvertering en uitscheiding van stoffen in de nieren. Een voorbeeld is de bekleding van de darmwand.
c. Afscheiding van verschillende stoffen, zoals zweet, slijm en spijsverterings­ sappen, denk aan speeksel. Een voorbeeld is de huid die zweet kan doorlaten.

Er bestaan ook epitheelcellen die zelf stoffe n kunnen produceren: de klier­ cellen. Deze zijn gebundeld tot klieren. De klieren halen grondstoffen voor hun afscheidin gsproducten uit het bloed.

We onderscheiden:
• Exocriene klieren (exocrien= naar buiten afscheiden). Zulke klieren
worden ook wel klieren met externe secretie (= uitwendige afscheiding) genoem d. Deze klieren scheiden hun stoffen af via een afvoerbuis en lozen die in een lichaamsholte of naar de ‘buitenwereld’,zoals mond en darmen. Exocriene klieren spelen een zeer belangrijke rol bij de spijsvertering.
Een voorbeeld zijn de speekselklieren.
Endocriene klieren, ook wel klieren met een interne secretie genoemd.
Deze klieren hebben geen afvoerbuis en geven hun afscheidingsproducten direct af aan de bloedbaan. Deze afscheidingsproducten noemen we hormonen. Ook hormonen spelen een belangrijke rol in de spijsvertering,
bijvoorbeeld het hormoon insuline. Voorbeelden van endocriene klieren zijn: schildklier en bijnier.

Ten slotte zijn er organen in ons lichaam die zowel een exocriene als een endocr iene functie hebben, bijvoorbeeld de alvleesklier. Hier komen we in een later hoofdstuk op terug.

Steunweefsel
Het woord zegt het al, het gaat hier om weefsel dat steun biedt. Hieronder vallen:
a. Bindweefsel.
b. Vetweefsel.
c. Kraakbeenweefsel.
d. Bot.

Bindweefsel
Bindwee fsel dient voor het geven van steun aan en voor de samenhang van de organen.
Tussen de bindweefselcellen ligt een eiwitachtige tussenstof. In deze tussenstof komen twee typen eiwitvezels voor, namelijk collageen – lijmgevende vezels en elastische vezels. De collagene vezels zorgen voor stevigheid.

Als de collagene vezels in het bindweefsel overheersen, spreken we van collageen bindweefsel, zoals pezen en banden. Het karakteristieke van elastischevezels is dat ze gemakkelijk vervormen, om daarna weer terug te keren in de oorspronkelijke vorm. Overheersen elastische vezels in het bindweefsel, dan spreken we van elastisch bindweefsel. Dit vinden we terug in de bloedvaatwanden.

Vetweefsel
Vetweefsel is steunweefsel waarvan de cellen zijn gevuld met vet. Behalve dat vetweefsel fungeert als opslagplaatsvan reservevoedsel/vet, dient het ook als warmte-isolatie.Vetweefsel verleent alleen maar steun als de cellen door een stevigcollageenkapsel bij elkaar worden gehouden. Voorbeelden zijn: zitvlak en voetzolen.

Kraakbeenweefsel
Dit is steunweefsel waarbij collagene vezels of elastische vezels deel uitmaken van de tussenstof. Afhanke lijk van de andere bestanddelen in de tussenstof is kraakbeen hard of zacht. Hard kraakbeenweefsel komt voor in de gewrichten, zacht kraakbeen in bijvoorbeeld de oorschelpen.

Bot
Bot is een hard en stevig weefsel waarvan de tussenstof bestaat uit een lijmachtige stof waarin zich een grote hoeveelheid kalkzouten bevindt. Alle botten zijn weefsel.

Spierweefsel
Bij spierweefse l wordt er onderscheid gemaakt in:
• Glad spierweefsel.
• Dwarsgestreept spierweefsel.
• Hartspierweefsel.

Glad spierweefsel
• Glad spierweefsel wordt niet beïnvloed door de wil; we kunnen er dus zelf geen invloed op uitoefenen. We noemen dit onwillekeurige spieren.
• Glad spierweefsel wordt gevonden in de huid en in alle buisvormige organen, zoals bloedvaten, maag-darmkanaal en baarmoeder.
• Gladde spieren doen hun werk traag en raken niet snel vermoeid.

Dwarsgestreept spierweefsel
• Dwarsgestreept spierweefsel is afhankelijk van onze wil en we noemen dit dan ook de willekeurige spieren.
• Dwarsgestreept spierweefsel vinden we voornamelijk in de skeletspieren.
• Dwarsgestreepte spieren werken snel en zijn snel vermoeid.

Hartspierweefsel
Dit weefsel valt eigenlijk onder dwarsgestreept spierweefsel, maar komt alleen voor in de wand van het hart. Dit weefsel werkt met snelle, ritmisch verlo­ pende contractie (= samentrekking) en ontspanning en is vrijwel onver­
moeibaar.

Spierweefsel is een belangrijk weefsel binnen ons lichaam.
De spieren zorgen ervoor dat we ons kunnen bewegen en dat we normale
lichaamshoudingen kunnen aannemen, zoals staan, zitten en lopen.

Zenuwweefsel
Zenuwweefsel zorgt voor het opnemen, doorgeven en afgeven van prikkels.

Zenuwen worden onderscheiden naar hun functie:
• Motorische (= bewegings)zenuwen: deze geleiden prikkels van het centrale zenuwstelsel naar de spieren, zodat een beweging ontstaat. Als we bewegen, is er dus een prikkel via de motorische zenuwen voorafgegaan.
• Gevoelszenuwen: deze geleiden gewaarwordingen (prikkels) van de zintuigen – gezicht, gehoor, gevoel, reuk, smaak – naar de hersenen. Als we iets zien, wordt via de gevoelszenuwen een seintje aan de hersenen gegeven, waardoor we ons bewust worden van wat we zien.
Hiermee hebben we een aantal belangrijke weefsels in het lichaam besproken.

De lichaamssamenstelling

We hebben in het voorgaande gezien wat een cel is. Al deze cellen bij elkaar zijn gebundeld tot weefsels. En deze weefsels vormen dus uiteindelijk de mens. Het lichaam is samengesteld uit:
• spiermassa
• skeletmassa (de beenderen)
• weke delen zonder spier- en vetmassa (zenuwen, huid)
• vetmassa
• vloeistof.

Vloeistof bevindt zich in de cellen en buiten de cellen in het tussenweefsel en in het vaatstelsel.
Het menselijk lichaam bestaat voor ruim de helft uit water. De hoeveelheid
water in het lichaam hangt onder meer af van de leeftijd. Bij ouderen neemt het vochtgehalte in de weefsels af. Dit zie je aan het rimpelen van de huid.

Ook andere factoren, zoals de buitentemperatuur, beïnvloeden het vochtge­ halte van het lichaam.

Behalve zuurstof is water de belangrijkste stof voor de mens. Wanneer een mens 20% minder vloeistof in zijn lichaam heeft dan nodig is voor een goede voorziening van de weefsels, leidt dit tot de dood.

De spijsverteringsorganen

U hebt nu kennisgemaakt met cellen en met weefsels. Weefsels vormen bij elkaar organen die elk een eigen functie hebben. Meerdere organen bij elkaar vormen een stelsel. Zo onderscheiden we bijvoorbeeld het zenuwstelsel en het ademhalingsstelsel. Een ander stelsel is het spijsverteringsstelsel. Dit stelsel loopt vanaf de mond tot en met de anus. Op afbeelding 2 ziet u het spijsverte­ ringskanaal weergegeven.

Afb. 2. Het spijsverteringsstelsel

Het spijsverteringsstelsel zorgt ervoor dat voedingsmiddelen worden afgebroken tot voedingsstoffen. Hierbij zijn verschillende organen betrokken die we hier behandelen. Maar eerst benoemen we de taken van het spijsverte­ ringsstelsel.

Taken
De taken van het spijsverteringskanaal zijn:
• het opnemen van voedsel
• het vloeibaar maken van voedsel
• het verteren van voedsel, dit wil zeggen het afbreken tot zeer kleine deeltjes
• het afgeven van de kleine deeltjes aan het bloed
• het verwijderen van onverteerbare voedselbestanddelen uit het lichaam.

Elke taak wordt verricht door een of meerdere spijsverteringsorganen. We kijken nu naar de taken van deze spijsverteringsorganen.

De spijsverteringsorganen
De spijsvertering verloopt via de volgende organen:
1. de mond
2. de slokdarm
3. de maag
4. de dunne darm
5. de dikke darm
6. (de alvleesklier)
7. (delever)
8. (de galblaas).

De alvleesklier, lever en galblaaszijn indirect betrokken bij de spijsvertering; zij komen niet in direct contact met het voedsel.

Van elk orgaan bespreken we een aantal wetenswaardigheden, te beginnen bij de mond.

De mond
De mond is het eerste orgaan van het spijsverteringsstelsel. Hier begint de weg van het voedsel.

De taken van de mond zijn:
• voedselopname
• fijnmalen van het voedsel (= het kauwen)
• het voedsel vermengen met speeksel.

Het kauwen
Om ons voedsel goed fijn te kunnen malen, hebben we ons gebit nodig. Een volledig gebit van een volwassene bevat zowel in de boven- als onderkaak:
• vier snijtanden (deze liggen in het midden)
• twee hoektanden (deze liggen aan beide zijden van de sni jtanden)
• vier zogenaamde valse kiezen (deze liggen naast de hoektand en)
• zes zogenaamde ware kiezen (deze liggen naast de valse kiezen); inclusief de twee verstandskiezen

Ajb. 3. Een gebit is onontbeerlijk om ons voedsel fijn te kunnen maken

 

Een goed kauwvermogen is uitermate belangrijk. Hoe fijner het voedsel in de mond al is gemalen, hoe gemakkelijker het is voor de overige spijsverterings­
organen om het voedsel verder af te breken.

Het voedsel wordt in de mond afgebroken door water, slijm en enzymen die door verschillende speekselklieren worden afgegeven.

Speekselklieren
De mond bevat drie paar speekselklieren:
• de ondertongspeekselklieren
• de onderkaakspeekselklieren
• de onderoorspeekselklieren, deze monden uit in de wangen.

Verder zijn er nog vele kleine speekselkliertjes in de mondhoek; deze noemen we slijmkliertjes.
Afhankelijk van het voedsel dat we eten, varieert het speeksel van samen­ stelling. Bij een droge boterham scheiden de speekselklieren speeksel af dat veel water en slijm bevat. Ook bij bitter voedsel, zoals witlof en andijvie, bevat het speeksel veel water. Bij zuur voedsel, zoals sinaasappelsap, bevat het speeksel naast water ook enzymen, waardoor het zuur in de mond wordt geneutraliseerd.

Smaak
De mond beschikt over een aantal belangrijke zintuigen. Wanneer we met voeding omgaan, zijn ons reuk-, gezichts- en smaakzintuig van groot belang. Deze zintuigen geven een waarschuwingssignaal als voedsel bedorven is.

Ons smaakzintuig ligt in de tong en in het zachte verhemelte. Het smaak­ zintuig bestaat uit kleine smaakorganen die elk uit zo’n 50-120 smaakcellen bestaan. Met de tong nemen we de volgende smaken waar: zoet, zuur, zout en bitter. Er werd lang gedacht dat elke smaak op een afzonderlijk deel van de tong wordt waargenomen, maar dit blijkt niet juist.
Naast deze genoemde smaken is er nog een andere smaak die we waarnemen. Deze smaak is nog niet zo lang bekend en wordt umami genoemd. Het woord
umami komt uit het Japans en betekent zoveel als hartig.
Behalve smaakgevoel zijn ook de temperatuur, de structuur, de scherpte, de kruidigheid en de reuk van belang bij het bepalen van smaak. Een aantal van deze kenmerken vatten we samen onder de term mondgevoel. Van yoghurt verwachten we dat dit dik vloeibaar aanvoelt in de mond en chips horen krakerig te zijn. Wanneer dit niet het geval is, bijvoorbeeld de yoghurt is veel dikker of dunner dan verwacht en de chips hebben geen kraak meer, dan lijkt het alsof het anders smaakt. In werkelijk is de smaak hetzelfde, maar beïnvloedt het mondgevoel onze smaak. Ook andere invloeden spelen een rol, zoals een neusverkoudheid waarbij amper kan worden geproefd wat men eet. Door de smaak worden ook de speekselklieren aan het werk gezet en wordt de maag alvast aangespoord sap af te scheiden. De tong speelt verder een rol bij kauwen en slikken, en bevat behalve smaakzintuigen ook nog tast-, tempe­ ratuur- en pijnzintuigen.

Ook het speeksel heeft een functie bij het op gang brengen van de smaakover­ dracht. Voedsel wordt opgelost in speeksel en daarna vervoerd naar de diverse speekselorganen. In het speeksel bevindt zich een enzym, amylase.

Amylase zorgt ervoor dat een deel van de voedingsstoffen, namelijk koolhy- ( ) draten, al wordt afgebroken. Amylase heeft geen invloed op andere voedings-
stoffen. Wanneer u producten eet met veel eiwit of vet, zal het speeksel vooral slijm produceren, zodat het doorslikken van het voedsel gemakkelijker wordt.

Het doorslikken van voedsel gebeurt door een slikreflex. Zodra er voedsel of speeksel achter in onze mond komt, maken we automatisch een slikbeweging.

De mond gaat over in de slokdarm.

De slokdarm(= oesophagus)
De slokdarm overbrugt de afstand van de mond naar de maag. Het is een gespierde buis die ongeveer 30 centimeter lang is. Behalve wat slijm scheidt de slokdarm verder geen spijsverteringssappen af. Dit slijm biedt bescherming tegen scherp of zuur voedsel. De slokdarm bestaat uit goed ontwikkelde spieren.
Boven aan de slokdarmwand bevindt zich een deel dat fungeert als sluitspier,
die de bovenste slokdarmsfincter wordt genoemd. Normaal gesproken is deze ( -) sluitspier gesloten en gaat hij alleen open tijdens het slikken. Vlak boven de
maag bevindt zich een tweede sluitspier, de gastro-oesofageale sfincter. Deze voorkomt dat maaginhoud terug kan stromen in de slokdarm.

De enige functie die de slokdarm heeft, is het transporteren van voedsel van de mond- en keelholte naar de maag. Dit gebeurt via peristaltiek. Dit is een golfbeweging van de slokdarmwand, waardoor het voedsel telkens een stuk verder door de slokdarm wordt geduwd. De spieren in de slokdarm trekken samen achter de spijsbrij, waardoor het voedsel vooruit geperst wordt, de spieren vóór de spijsbrij verslappen. Dit proces wordt telkens herhaald.
Deze peristaltiek zorgt ervoor dat, ook al zouden we ondersteboven hangen, ons voedsel toch in onze maag terechtkomt. Vloeistoffen als thee, koffie en water ‘vallen’ wel zo in de maag. Het transport in de slokdarm duurt gemiddeld zes seconden, afhankelijk van de zachtheid van het voedsel.

De slokdarm ligt goed beschermd tussen de luchtpijp en de wervelkolom en
gaat door het middenrif heen, naar de maag. Dit middenrif zorgt ervoor dat
maag en darmen in de buikholte blijven, en longen en hart in de borstholte.

De maag (= gaster)
De slokdarm en de maag gaan in elkaar over via de maagmond of cardia. Dit is een soort afsluitklep die ervoor zorgt dat er geen voedsel vanuit de maag in de slokdarm terug kan lopen.

De maag ligt hoog in de buikholte. De maag heeft een belangrijke rol in de spijsvertering. Wanneer de maag leeg is, is het epitheelweefsel van de maagwand sterk geplooid. Wordt de maag gevuld, dan kan deze uitrekken tot een volume dat maximaal 2 liter in beslag neemt.

De taken van de maag zijn:
• opslag van voedsel, zodat de dunne darm niet wordt overbelast
• afscheiden van maagsap, waardoor het voedsel verteerd wordt en bacteriën gedood worden.
• kneden van voedsel, dat vervolgens in kleine porties wordt afgegeven aan de dunne darm.

Per dag produceren de maagsapklieren zo’n 2,5 tot 3 liter maagsap. De productie ervan vindt plaats door prikkeling, bijvoorbeeld omdat iemand voedsel ruikt, proeft of zelfs alleen maar ziet. Dit systeem wordt via het
zenuwstelsel geactiveerd. Komt voedsel in contact met de maagwand, dan wordt onder invloed van het hormoon gastrine eveneens maagsap geprodu­ ceerd.

Dit maagsap bestaat uit de volgende stoffen:
• Water, dat als een oplosmiddel en verdunningsmiddel werkt.
• Zoutzuur, een zeer sterk zuur. Zoutzuur speelt een rol bij de omzetting van enzymen die eiwitten verteren. Het lost voedseldeeltjes die kalk of collageen bevatten deels op. Hierbij kunt u denken aan visgraten of botsplinters in vlees. Zoutzuur doodt micro-organismen zoals bacteriën die op voedsel zitten. Zoutzuur zorgt ervoor dat de zuurgraag van de voedselbrij wordt verlaagd, zodat enzymen beter hun werk kunnen doen.
• Slijm dat een bescherming biedt tegen zoutzuur en voedselbestanddelen. Slijm beschermt hiermee de maagwand.
• Pepsine, een enzym dat eiwitten verteert. De cellen in maagsap scheiden in eerste instantie pepsinogeen uit dat onder invloed van zoutzuur pepsine vormt. Pepsinogeen is een niet-actief voorstadium van pepsine. Omdat de maagwand ook uit eiwit bestaat, wordt voorkomen dat deze onder invloed van pepsine wordt afgebroken.
• Intrinsic factor, een stof die ervoor zorgt dat vitamine Bl2 uit de voeding naar het bloed kan worden getransporteerd. Deze stof maakt opname van
vitamine Bl2 vanuit de darm in het bloed mogelijk. Het is een soort ‘trans­ porteur’. Vitamine Bl2 hebben we nodig voor de aanmaak van bloed. Bij een tekort aan Bl2 ontstaat er een bepaalde vorm van bloedarmoede.

In de maag vindt vertering plaats van koolhydraten en eiwitten. De vetten worden pas later verteerd. De maaginhoud wordt gekneed en doordrenkt met maagsap. Via peristaltische bewegingen wordt het voedsel vanaf de boven­ zijde van de maag naar de maagportier of pylorus gevoerd. Dit is een sluit­ spier die de maag afsluit van de dunne darm. De verteerde spijsbrij wordt chymus genoemd.
Chymus bestaat uit gedeeltelijk afgebroken koolhydraten en eiwitten. De chymus wordt telkens in kleine gedeeltes naar de dunne darm gevoerd. De maagportier sluit na elke portie. Dit gebeurt als de chymus in contact komt met de dunnedarmwand.Daar wordt de chymus onder invloed van natrium­ bicarbonaat geneutraliseerd, dat wil zeggen minder zuur gemaakt.

Het duurt ongeveer drie uur voordat een maaltijd van gemiddelde samen­ stelling de maag in zijn geheel heeft verlaten. Bij een vetrijke maaltijd duurt dit proces nog langer, omdat bij de vertering van vet in de dunne darm vetzuren ontstaan. Hierdoor wordt het proces van ontzuren vertraagd.

De dunne darm(= intestinum tenue)
De maag gaat over in de dunne darm. De dunne darm heeft de belangrijkste functie van het gehele spijsverteringskanaal, omdat vanuit deze darm de kleine voedselbestanddeeltjes aan het bloed worden afgegeven.

De taken van de dunne darm zijn:
1. het voortbewegen en samenkneden van de spijsbrij
2. het afscheiden van darmsap
3. het ontvangen van spijsverteringssappen uit de lever, de glasblaas en de alvleesklier
4. de vertering van voedsel
5. het afgeven van voedselbestanddeeltjes aan het bloed. Het bloed neemt deze deeltjes op; dit noemen we resorptie.

De dunne darm is iets meer dan 6 meter lang.
Daarin onderscheiden we drie delen:
• de twaalfvingerige darm of het duodenum (ongeveer 20-25 cm lang). In deze darm storten de lever, de galblaas en de alvleesklier hun spijsverte­ ringssappen uit
• de nuchtere darm of het jejunum (ongeveer 2,5 meter lang)
• de kronkeldarm of het ileum (ongeveer 3,5 meter lang).

In het duodenum vindt vooral afbraak van voedsel plaats, in het jejunum en het ileum vindt voornamelijk de resorptie plaats.

Afb. 4. De dunne darm.

De vertering van voedsel dat in de maag begonnen is, wordt in de dunne darm voltooid. De verteringsactiviteit in de dunne darm is erg hoog. Hierbij zijn drie stoffen actief:
• alvleeskliersap
• gal
• dunnedarmsap.

Alvleeskliersap en gal werken eerst in op de chymus. Daarna vindt de eindvertering plaats in de nuchtere darm door enzymen die in het darmsap zitten. Dit zijn enzymen die elk hun eigen voedingsstof verteren. Zo zijn er disacharidasen zoals lactase en maltase die tweevoudige koolhydraten splitsen; dipeptidase dat brokjes verteerde eiwitten tot eiwitbouwsteentjes splitst, en lipase dat de vetten omzet.

De belangrijkste reden waarom voedsel wordt bewerkt, is de resorptie van voedingsstoffen. De voedingsstoffen worden opgenomen in het bloed. Dit gebeurt via de wand van de dunne darm. Deze wand is zeer sterk geplooid. Wanneer deze wand helemaal wordt uitgerekt, ontstaat een oppervlakte van
200 m2 Een groot deel van de resorptie vindt plaats in de eerste helft van de dunne darm. De vetresorptie vindt in de gehele dunne darm plaats.

De dikke darm (= colon)
De dikke darm is het laatste gedeelte van het spijsverteringskanaal. De lengte is ongeveer anderhalve meter. Vanuit de kronkeldarm vindt zich in de darmwand een grote darmplooi die als een soort klept werkt. Deze klep voorkomt dat de darminhoud terug kan stromen naar de kronkeldarm.

Op het punt waar de dunne darm overgaat in de dikke darm, vertoont de dikke darm een verlenging die doodloopt: dit is de blindedarm. Aan deze blindedarm bevindt zich een wormvormig aanhangsel, dat appendix heet. Wanneer we spreken van een blindedarmontsteking, is het eigenlijk de appendix die is ontstoken en niet de blindedarm zelf.

Het is de taak van de dikke darm om voedsel dat niet kan worden verteerd te verwerken tot ontlasting. Deze ontlasting wordt uiteindelijk via de anus uitge­ scheiden.

De ontlasting bestaat uit:
• water
• slijm
• onverteerbare voedselresten
• dode bacteriën
• afgestoten darmwandcellen.

In de dikke darm worden geen verteringsenzymen meer uitgescheiden; er vindt geen vertering meer plaats. In de dikke darm bevinden zich onverteerde en onverteerbare resten. Deze resten zijn een belangrijke voedingsbodem voor in de dikke darm levende bacteriën, de zogenaamde microbiotica of darm flora. Bij de stofwisseling van deze bacteriën worden afvalproducten gevormd. Een daarvan is vitamine K.
Stoffen die voor het lichaam bruikbaar zijn, zouten en water worden door de dikke darmwand in het bloed opgenomen. Wat nog is overgebleven van de chymus wordt ingedikt. Hieruit ontstaat de ontlasting. Via peristaltische bewegingen wordt deze ontlasting in de richting van het rectum geduwd. Dit is het laatste gedeelte van de dikke darm . Via de anus wordt de ontlasting uitgescheiden.

De ontlasting heeft een bepaalde geur en samenstelling die afhankelijk is van het voedsel dat zo’n twintig uur daarvoor is gegeten. Onder invloed van galkleurstoffen is de ontlasting bruin gekleurd.

Hoewel het voedsel de alvleesklier, de lever en de galblaas niet passeert, nemen deze organen wel actief deel aan de spijsver tering . De galblaas doet dit onder andere door het afscheiden van enzymen, die nodig zijn voor de vertering van de voedingsmiddelen die we binnen krijgen. De lever maakt gal en slaat deze op in de galblaas. De gal is nodig voor de vertering en voor de opname van vetzuren in het bloed.
De alvleesklier, de lever en de galblaas storten hun sappen uit in de dunne darm.

De alvleesklier ( = pancreas)
De alvleesklier is een langgerekte, trosvormige klier. Dit orgaan ligt net achter de maag. In het midden van de alvleesklier loopt een dunne buis. Van daaruit wordt alvleeskliersap naar de twaalfvingerige darm gevoerd. Ook deze buis
kent een sluitspier die zich opent zodra er chymus in de dunne darm komt.

Het alvleessap bevat:
1. drie enzymen, te weten:
• amylase: voor het afbreken van meervoudige koolhydraten in tweevoudige
• trypsinogeen: voor het afbreken van eiwitten; trypsinogeen is een voorstadium van trypsine, een zogenaamde protease
• lipase: voor het afbreken van vetten in glycerol en vetzuren.
2. natriumcarbonaat: dit zorgt ervoor dat de zure maaginhoud die in het duodenum terecht is gekomen, wordt ontzuurd
3. water, als oplosmiddel en verdunningsmiddel
4. slijm, dat de darmwand beschermt tegen zoutzuur en de inwerking van enzymen.

De alvleesklier is een exocriene klier, dat wil zeggen dat het klierproduct
buiten het milieu-interieur (= buiten de cel) wordt gebracht, in dit geval de ( dunne darm. Tegelijkertijd is de alvleesklier ook een endocriene klier, dat wil
zeggen dat de stoffen die deze klier produceert geen afvoergang buiten de cellen hebben. Deze kliercellen worden de eilandjes van Langerhans genoemd.

De lever ( = hepar)
De lever is een orgaan met veel functies. De lever ligt naast de maag en op de darmen. Het is een zeer groot orgaan en weegt zo’n anderhalve kilogram.

De lever kent drie grote bloedvaten:
• Leverslagader, die zuurstofrijk bloed naar de lever vervoert.
• Drie leveraders, die zuurstofarm bloed van de lever wegvoeren.
• Poortader, die het bloed vanuit het spijsverteringskanaal vervoert. Dit bloed is zuurstofarm en na een maaltijd rijk aan voedingsstoffen.

De lever heeft controle over de samenstelling van het bloed en kan de concen­ tratie van allerlei stoffen in het bloed beïnvloeden. U kunt hierbij denken aan het afgeven van voedingsstoffen aan de cellen of het verwerken van giftige stoffen.

De lever kent een groot aantal functies waarvan we hier enkele noemen:
• Zorgt voor de opbouw en afbraak van eiwitten.
• Speelt een rol bij het handhaven van de lichaamstemperatuur.
• Slaat vitamines op.
• Slaat sommige mineralen op, zoals koper en ijzer.
• Maakt giftige stoffen onschadelijk, zoals alcohol en medicijnen.
• Maakt gal aan.

De lever kan de gal, die wordt benut in het spijsverteringsproces, direct aan de twaalfvingerige darm afgeven, maar ook eerst in de galblaas storten.
De galblaas ( = vesica fellea)
De galblaas ligt onder de lever en heeft als functie:
• opslagplaats van gal
• indikken van gal.

Gal die uit de lever komt, is geel van kleur. Gal in de galblaas wordt donker­ bruingroen. Dit komt doordat er water uit de gal onttrokken wordt.

De gal bestaat uit:
• water als oplosmiddel en transportmiddel
• slijm als glijmiddel
• cholesterol met galzure zouten voor de vertering van vetten
• geconjugeerde bilirubine, die kleur geeft aan de ontlasting.

De productie van gal door de lever vindt 24 uur per dag plaats en wordt mede bepaald door prikkels uit de spijsvertering.Ook de galblaas reageert op prikkels uit de spijsvertering.Zodra de chymus in de dunne darm wordt geloosd, trekt de galblaas samen, waardoor de gal er als het ware wordt uitge­ knepen en in de dunne darm terechtkomt. De mate waarin de galblaas zich samentrekt, is afhankelijk van de aard van de spijsbrij. Vooral vetten zorgen voor een sterke samentrekking; de eiwitten en koolhydraten hebben daar minder invloed op.

Transport van voedingsstoffen
De bouw en functie van de spijsverteringsorganen zijn nu in grote lijnen besproken. In de dunne darm is niets anders overgebleven dan de kleinste voedselbestanddeeltjes.Een van de taken van de dunne darm is de afgifte van deze voedselbestanddeeltjesaan het bloed. Het bloed neemt deze deeltjes op; zoals gezegd, noemen we dit resorptie.

We zullen nu kort bespreken hoe het transport van de voedingsstoffen en het resorptieproces verlopen.

Voordat het bloed de voedingsstoffen kan opnemen, moeten deze eerst door de darmwand heen; dit noemen we transport.

U hebt in dit hoofdstuk al kennisgemaakt met de termen diffusie, actief transport en osmose met betrekking tot het celmembraan. Deze kennis gaan we nu toepassen om te begrijpen hoe het transport van voedingsstoffen plaatsvindt.

We zullen voor alle duidelijkheid nog even herhalen wat deze termen inhouden.

Diffusie
Het celmembraan laat een stof zonder meer door. We spreken ook wel van passief transport.

Osmose
Het celmembraan is slechts doorlaatbaar voor water, maar niet voor deeltjes die daarin zijn opgelost.
Ook dit transport is passief; er is geen hulpstof nodig om het water door het celmembraan te laten gaan.

Actief transport
Een stof kan het celmembraan alleen passeren met behulp van een andere stof. Dit transport kost energie.

We gaan nu actief transport eens wat nader bekijken. Wanneer we van actief
transport spreken, moet er aan een aantal voorwaarden worden voldaan:
1. Actief transport kost energie.
2. De hulpstof die nodig is, is specifiek voor een bepaalde voedingsstof. Dit wil zeggen: de hulpstof kan bijvoorbeeld alleen glucose transporteren. Voor het transporteren van am in ozuren is weer een andere hulpstof nodig.
3. Een hulpstof kan maar één richting uit werken: of het neemt een stof mee de cel in of het neemt een stof mee de cel uit.

Zo’n hulpstof noemt men een ‘carrier’ (=drager).

Het transport van aminozuren,de bouwstenen van eiwitten, gebeurt met behulp van een carrier. Er is dus sprake van actief transport.
Het transport van suikers, de bestanddelen van koolhydraten, vindt ook plaats met behulp van een carrier. Ook hier is sprake van actief transport.
Het transport van vetzuur en glycerol vindt zonder hulpstof plaats en is dus passief.

Opname van voedingsstoffen
De voedingsstoffen worden nu al dan niet met behulp van een carrier de darmwandcel ingebracht. In de darmwand bevindt zich een sterk vertakt systeem van bloedvaatjes, de haarvaten. Deze haarvaten nemen de voedings­ stoffen op uit de darmwandcel. De haarvaten komen uiteindelijk samen in de poortader, die van de dunne darm naar de lever loopt.

De voedingsstoffen gaan dus via de poortader naar de lever. Dit geldt voor de opname van alle voedingsstoffen, behalve voor de vetzuren.

Geef een reactie