Antropometrie

‘Meten is weten? Een uitspraak die regelmatig genoemd wordt in allerlei situaties. Voor wat betreft begeleiding van mensen met overgewicht geldt zeker het belang van meten.

Antropometrie betekent letterlijk ‘het meten van mensen? Door middel van het vaststellen van afmetingen en verhoudingen van het menselijk lichaam wordt een indruk verkregen van iemands lichaamsbouw en lichaamssamenstelling.
Met het verzamelen van antropometrische gegevens heeft de gewichtscon­ su lent belangrijke informatie voorhanden. Samen met de voedings­ anamnese is zo voldoende informatie beschikbaar om een behandelplan op te stellen.

Meetgegevens alleen zeggen nog niet zoveel; de resultaten moeten geïnter­ preteerd worden. Hiervoor maakt u gebruik van normtabellen. Dit zijn tabellen met referentie- of normaalwaarden.Op die manier kunt u bekijken of de meetgegevens van uw cliënten binnen deze normaal- waarden vallen. ·
In dit hoofdstuk worden de volgende antropometrische gegevens behandeld:
• Gewicht.
• Lengte.
• Middelomtrek.
• Vetmassa.
• Normaalwaarden.

Lichaamsgewicht
Het lichaamsgewicht is een belangrijk gegeven voor de gewichtsconsulent. Het zegt, in combinatie met de lengte van de cliënt, iets over de mate van overgewicht, de energiebehoefte kan worden bepaald en er kan een indruk worden verkregen van toe- of afname van het gewicht als er regelmatig gewogen wordt.

Weegschalen
Om het gewicht te kunnen bepalen, is een goede weegschaal van belang. Er
zijn verschillende modellen in de handel.

Afb. 1. Een digitale voetweegschaal. Er zijn diverse weegschalen in de handel

Wanneer u de cliënt gaat wegen, is het belangrijk hier zorgvuldig mee om te gaan. Veel mensen vinden het vervelend zich door een ander te moeten laten wegen. Schaamte over het overgewicht kan hierbij een grote rol spelen. Een andere reden om zorgvuldig om te gaan met het wegen van de cliënt heeft te maken met de nauwkeurigheid van de meting. We zullen op beide aspecten wat dieper ingaan.

Technische procedure
Afhankelijk van welke weegschaal u gebruikt, is het nodig om na te gaan of deze op de nulstand staat. Hiermee voorkomt u onnauwkeurigheden. Bij sommige weegschalen moet u het geslacht van de te wegen persoon invullen.
Ook is het prettig een afdekpapier midden op het weegvlak te leggen; dit is
hygiënisch. Ook kunt u, voordat de cliënt zich laat wegen, de weegschaal )
afnemen met een doekje. Een goede voorbereiding voordat de cliënt in uw
spreekkamer komt, is een vereiste.

Instructie en uitvoering
Voordat u begint met wegen, bespreekt u met de cliënt het belang van wegen onder dezelfde omstandigheden. Bij een behandeling van overgewicht wordt de cliënt ieder consult gewogen om zo een goed inzicht te verkrijgen in het gewichtsverloop. Kleding kan hierbij een storende factor zijn als de cliënt de ene keer een zwaar vest draagt en de andere keer een licht jasje. Laat de cliënt bij voorkeur zo veel mogelijk dezelfde kleren dragen tijdens het wegen. U kunt vragen vesten of jasjes uit te trekken. Eventueel kunt u ook aangeven dat
zware sieraden of riemen extra gewicht geven. De cliënt kan deze dan af doen.
Vraag de cliënt de schoenen uit te doen en eventueel zakken leeg te maken.
De cliënt gaat vervolgens in het midden van het weegvlak staan met de voeten iets uit elkaar. Let erop, dat de cliënt precies in het midden staan en nergens op leunt.
Bij de meeste weegschalen duurt het even voordat de wijzer tot stilstand is gekomen of totdat het gewicht in een beeldscherm verschijnt. Als u het gewicht hebt afgelezen, kan de cliënt van de weegschaal afstappen. Vervolgens vertelt u de cliënt het gewicht en noteert u dit op het registratieformulier. U bedankt de cliënt en laat hem of haar de schoenen weer aan doen. Het afdek­ papier gooit u weg. Door de cliënt kort te bedanken, laat u merken dat u aan het einde van de meting bent gekomen en bedankt u voor het vertrouwen dat de cliënt u heeft gegeven. Het is een beleefdheidsfrase die vaak wel op prijs wordt gesteld door de cliënt.

Wat te doen als de cliënt het gewicht niet wil weten
De meeste cliënten zullen zichzelf wel regelmatig wegen of gewogen hebben. Zij zullen er geen bezwaar tegen hebben om zich door u te laten wegen. Het kan echter af en toe voorkomen, dat een cliënt het eigen gewicht liever niet wil weten. In dat geval kunt u met de cliënt afspreken, dat u het getal noteert op het registratieform ulier, maar het niet vertelt aan de cliënt. Het is wel belangrijk om in gesprek te gaan met de cliënt over de reden waarom hij of zij het gewicht niet wil weten. In een behandeling voor overgewicht gaat het vaak om een streefgewicht waar naartoe gewerkt wordt. Als een cliënt het eigen gewicht niet kent, zal het moeilijk zijn een streefgewicht te bepalen. Het niet willen weten van het gewicht kan een aanwijzing zijn voor een eetprobleem; in dat geval zult u door moeten verwijzen. Vaak is het zo dat cliënten nadat ze afgevallen zijn voldoende vertrouwen hebben om hun gewicht wel te willen weten.

Aan het gewicht alleen hebt u niet voldoende informatie om de mate van overgewicht te kunnen bepalen. Met behulp van gewicht en de lichaamslengte kan de body mass index (BMI) bepaald worden .

Lichaamslengte
De lichaamslengte is nodig om de body mass index of BMI te bepalen. Met behulp van de BMI kunt u bepalen of de cliënt te kampen heeft met overge­ wicht. De lichaamslengte wordt staand gemeten.

Afb. 2. De lichaamslengte wordt staand gemeten

De lichaamslengte kan het beste worden gemeten met een lengtemeter die aan de muur is bevestigd. Op de vloer onder de meetlat legt u een stuk afdek­ papier; dit is hygiënisch.

Ook hierbij is een goede instructie van belang. De cliënt doet de schoenen uit en neemt plaats onder de lengtemeter op het stuk afdekpapier. U vraagt de cliënt om met de hielen, billen en de achterkant van het hoofd tegen de muur te gaan staan. De voeten worden 45 graden naar buiten gedraaid. U vraagt de cliënt recht voor zich uit te kijken.
Vervolgens verplaatst u de schuifmaat tot deze op de bovenkant van het hoofd van de cliënt rust. Om er zeker van te zijn dat u een betrouwbare meting krijgt, controleert u of de cliënt met hielen, billen en achterhoofd tegen de muur staat. Als dit zo is, kan de cliënt naar voren stappen. De gewichtscon­ sulent leest de lichaamslengte op de meetlat af, vertelt dit aan de cliënt en noteert het op een registratieformulier. De afsluiting is gelijk aan die bij het wegen: u bedankt de cliënt, laat hem of haar de schoenen weer aan doen en gooit het afdekpapier in de prullenmand. Het is niet altijd nodig de lengte te meten. Vaak kunt u volstaan met het navragen van de lengte die in het paspoort staat. Bij wat oudere cliënten, vanaf een jaar of 50, is het wel aan te raden de lengte zelf te meten, omdat onder invloed van veroudering de lengte kan verminderen.

Body mass index (BMI)
De Body Mass Index, voorheen ook wel Quetelet Index (QI) genoemd, is een methode die een snelle beoordeling van het lichaamsgewicht mogelijk maakt. Bedenk hierbij wel dat de normwaarden van de BMI alleen kunnen worden toegepast bij volwassenen van 18 jaar en ouder. Voor kinderen en ouderen boven de 70 jaar gelden andere normwaarden. Wel is de berekening bij hen hetzelfde.
Bij deze methode wordt het lichaamsgewicht gedeeld door de lengte in het kwadraat:

BMI= gewicht lengte x lengte
De volgende waarden worden bij de Body Mass Index gehanteerd:

BMI:
< 18,5:         ondergewicht
18,5-24,9:   normaal gewicht
25-29,9:      overgewicht
30-39,9:      obesitas
> 40:            morbide obesitas.

Het gewicht bij een BMI onder de 18,5 wordt beschouwd als ondergewicht, tussen 18,5 tot 25 wordt beschouwd als een normaal, gezond lichaamsgewicht.
Bij een BMI vanaf 25 en tot 30 is er sprake van overgewicht. Bij een BMI vanaf 30 en tot 40 spreekt men van obesitas(= medisch overgewicht). Bij een BMI boven de 40 is er sprake van morbide (= ziekelijke) obesitas.

Berekeningsvoorbeelden
Een persoon met een lengte van 1,70 men een gewicht van 70 kg heeft een BMI van:

70
1, 70X l, 70= 24,2

Deze persoon heeft een normaal lichaamsgewicht, maar moet wel oppassen dat hij niet zwaarder wordt.
Weegt deze zelfde persoon 85 kg, dan is er een BMI van: 85 =29,4
1,70x 1,70

Deze persoon heeft overgewicht en zit dicht tegen obesitas aan.

Streefgewicht berekenen
Met de form ule kunt u ook voor uw cliënt het streefgewicht berekenen. De formule hiervoor luidt als volgt:

Gewicht= BMI x (lengte x lengte).

Stel uw cliënt is 1,82 meter lang en streeft naar een BMI van 25. Het gewicht wat hierbij hoort is: 25 x (1,82 x 1,82) = 82,8 of 83 kg afgerond .

Let op: of u nu de BMI of het streefgewicht berekent, de lengte in het kwadraat dient u volledig mee te nemen. Dit getal mag u tijdens de berekening niet afronden . In het voorbeeld hiervoor gaat u dus uit van 1,82 x 1,82 = 3,3124. Dit getal zal altijd maximaal vier cijfers achter de komma bevatten.

Wanneer u de cliënt bij ieder consult weegt, kunt u niet alleen het gewichts­ verloop in de gaten houden, maar kunt u ook het verloop in de BMI nagaan.

Middelomtrek
Met het berekenen van de BMI kunt u iets zeggen over de mate van overge­ wicht. Het kan echter zijn, dat er sprake is van spiermassa en dat de cliënt in dat opzicht niet te zwaar is. De cliënt heeft een fors gewicht als gevolg van een grote mate van spiermassa. Dit is geen ongezond overgewicht. U kunt hierbij denken aan een bodybuilder. De kans dat u deze cliënten in de praktijk tegenkomt, is heel klein. Dit zult u, zoals gezegd, meer bij sporters tegen­ komen.
Is er sprake van overgewicht bij de cliënt, dan zegt de BMI nog niets over de gezondheidsrisico’s die de cliënt loopt. De BMI zegt namelijk niets over de vetverdeling in het lichaam. Er zijn twee duidelijke lichaamsvormen die wel
iets zeggen over de manier waarop vetmassa verdeeld is over het lichaam.
Dit zijn de appelvorm en de peervorm. Bij de appelvorm zit het vet in en rond
de buik opgeslagen. De cliënt met deze lichaamsvorm heeft een ronde buik en smalle heupen, de vorm van een appel. Bij de peervorm zit de vetmassa vooral op heupen, billen en dijen. Deze vorm van vetverdeling ziet u vooral bij vrouwen, terwijl de appelvorm meer bij mannen voorkomt. Dit heeft te maken met de geslachtshormonen.
Vet in de buikholte levert een groter risico voor de gezondheid dan vet op
heupen en dijen, omdat het vet in de buik meer in direct contact staat met
allerlei organen, zoals de lever.
Om na te gaan hoe de vetverdeling is, kan de middelomtrek gemeten worden.

De middelomtrek wordt gemeten rond het smalste deel van de taille. Dit is het punt dat precies ligt tussen de onderkant van de onderste rib en de bovenkant van het bekken. Bij cliënten die veel buikvet hebben en bij wie de taille breder is dan de heupen, meet u rondom het gebied waar de navel zich bevindt.

Afb. 3. Het meten van de middelomtrek

Voorbereiding
Omdat de cliënt zich (deels) moet uitkleden om de middelomtrek te kunnen meten, is het belangrijk dat de ruimte waar gemeten wordt, afgesloten kan worden i.v.m. de privacy van de cliënt. U hoeft de deur niet op slot te draaien, maar let erop dat niemand zomaar binnen kan lopen. Hebt u de ruimte, dan
kunt u er ook voor kiezen deze metingen achter een (kamer)scherm uit te )
voeren.
Vertel de cliënt wat de bedoeling is van deze meting en leg uit hoe het in zijn werk gaat. Geef daarbij aan, dat de meting gedaan wordt over de onder­ kleding. Een dun T-shirt of bloesje is geen probleem. Strakke kleding en riemen moeten worden verwijderd.

Uitvoering
De gewichtsconsulent vraagt aan de cliënt om ontspannen rechtop te staan,
met de voeten ongeveer 25-30 centimeter uit elkaar. Het gewicht moet over beide voeten verdeeld worden. De gewichtsconsulent zoekt vervolgens het smalste deel van de taille door te voelen waar de onderkant van de onderste rib zit en de bovenkant van het bekken. U kunt de cliënt ook vragen zelf aan te geven waar het bot zich bevindt. Bij cliënten met veel buikvet vraagt u hen de navel aan te geven. Eventueel wordt dit punt gemarkeerd met een potlood of, als u over de onderkleding meet, een kopspeld.
Daarna gaat de gewichtsconsulent vóór de cliënt staan en wordt het meetlint losjes, maar aansluitend rond het middel gelegd. Vraag de cliënt voor zich uit te kijken en niet mee te kijken naar het meetlint. De cliënt kan anders de adem inhouden, zodat de meting onbetrouwbaar is. Als de cliënt uitademt, kan de middelomtrek worden afgelezen.
Daarna bedankt de gewichtsconsulent de cliënt voor het vertrouwen en de cliënt kan zich weer aankleden. Vertel de cliënt welk getal er uit de meting is gekomen en noteer dit op een registratieformulier.
In de praktijk komt het vaak voor, zeker als cliënten meer gaan sporten, dat zij geen gewicht verliezen op de weegschaal, maar dat bij herhaaldelijk meten van de middelomtrek wel duidelijk wordt dat er centimeters verloren gaan. Er vindt een betere vetverdeling plaats en de cliënt verliest vet en ontwikkelt spieren. Spiermassa is zwaarder dan vetmassa.

Vetmassa

Behalve het bepalen van de BMI en de middelomtrek van de cliënt is er nog een methodiek die bruikbare informatie geeft over de mate van overgewicht. Dit is het bepalen van de totale lichaamsvetmassa. Het vetpercentage kan worden gemeten met speciale weegschalen. In de praktijk worden deze veel gebruikt door gewichtsconsulenten en voedingsadviseurs. De meting is minder betrouwbaar dan de methoden die we verderop zullen bespreken; er is sprake van een foutmarge van ongeveer 3%.
Daar staat tegenover dat dit een methode is die minder belastend is, omdat de cliënt met dezelfde weegschaal wordt gewogen en hij niet wordt aangeraakt. Omdat in sommige situaties, bijvoorbeeld als de cliënt gericht wil toewerken naar het verlagen van het vetpercentage, deze weegschaal niet betrouwbaar genoeg is, kunt u kiezen voor andere methodieken. Deze zijn betrouwbaarder, maar ook meer belastend voor de cliënt.

In dit hoofdstuk zullen we twee van dergelijke methodieken bespreken:
• meten van de huidplooien
• meten via de bio-elektrische impedantiemeting.

Huidplooidiktemeting
Bij de huidplooimeting worden vier verschillende huidplooien gemeten. De
achterliggende gedachte is, dat de dikte van deze vier huidplooien samen iets zeggen over de dikte van het subcutane of onderhuidse vetweefsel. De meting is daarmee representatief voor de totale hoeveelheid vetweefsel in het lichaam. Het meten van huidplooien gebeurt met een huidplooidiktemeter of HDP-ca­ lipers.

Voordat u begint met het meten van huidplooien bij uw cliënten is het belangrijk om hier goed mee te oefenen. Het aflezen van de dikte van een huidplooi luistert heel nauw; onnauwkeurige waarden geven daarmee een onbetrouwbaar beeld van de vetmassa van de cliënt. Een bijkomend voordeel is, dat een meting door een geoefend persoon voor de cliënt minder belastend is dan wanneer de consulent weinig ervaring heeft en de tang kan laten glippen. Dit is pijnlijk voor de cliënt.

Afb. 4. Huidplooimeting

In de literatuur kunt u tegenkomen, dat alleen de huidplooi van de triceps gemeten wordt. Vaak wordt deze meting gedaan in combinatie met het meten van de bovenarmomtrek. Deze totale meting wordt de bovenarmspieromtrek genoemd en is bedoeld om in klinische situaties, zoals in een verpleeg- of ziekenhuis, de voedingstoestand te meten. Deze meting zegt iets over de vetreserves en eiwitreserves in het lichaam. In het werk van een gewichtscon­ sulent of voedingsadviseur komt deze meting praktisch niet voor.

Het meten van de huidplooien gebeurt op de blote huid. De cliënt zal zich deels moeten uitkleden en wordt door de gewichtsconsulent of voedingsad­ viseur aangeraakt. Het spreekt voor zich dat een goede vertrouwensrelatie hierbij belangrijk is. Neem de tijd om de metingen uit te voeren en zorg ervoor dat de ruimte waarin u de metingen doet, afgesloten kan worden.
Eventueel kunt u de meting achter een (kamer)scherm uitvoeren.

Bicipitale plooi
Metingen worden verricht aan de kant van de niet-dominante arm. Bij een rechtshandige is dit de linkerzijde van het lichaam, bij een linkshandige de
rechterzijde.
Als eerste meet u de huidplooi van de biceps. Dit is punt 1 op afbeelding 5.

U vraagt de cliënt rechtop te gaan staan en de armen ontspannen te laten hangen. Met een huidpot lood markeert u de top van de schouder. U laat de cliënt zijn niet-dominante arm buigen in een hoek van 90 graden. Vervolgens markeert u met het potlood de elleboogpunt. Terwijl de arm gebogen blijft, legt u een meetlint tussen de beide punten. U markeert in het midden op de bovenarm.
Vervolgens laat de cliënt zijn arm ontspannen hangen met de handpalm naar
voren. Ongeveer een centimeter boven het gemarkeerde punt in het midden van de bovenarm, pakt u met één hand (duim en wijsvinger) een huidplooi. U houdt de huidplooi in de lengterichting van de arm. Vervolgens plaatst u de HPD -caliper op de huidplooi bij het gemarkeerde punt. U hebt daarmee precies het midden van de arm te pakken. Na ongeveer 2 seconden leest u af hoeveel millimeter de huidplooi is.

Ajb. 5. De vier huidplooien

Let erop, dat als u de HPD-caliper verwijdert, u deze eerst opendoet. U voorkomt hiermee een pijnlijke beknelling van de huid. De waarde van de meting wordt genoteerd.

Tricipitale plooi
De tweede meting gebeurt aan de achterzijde van de bovenarm, punt 2 op afbeelding 5. Ook hier pakt u een huidplooi met één hand vast, ongeveer een centimeter boven het gemarkeerde punt. De HPD-caliper wordt op de huidplooi geplaatst ter hoogte van het gemarkeerde punt. Houd ook hier de HPD-caliper recht zodat de plooi in de lengterichting van de arm staat. Na ongeveer twee seconden leest u de waarde in millimeters af. U verwijdert de HPD-caliper en noteert de waarde van de meting.

Subscapulaire plooi
De derde huidplooi bevindt zich onder het schouderblad, op afbeelding 5 is dit punt 3. U vraagt de cliënt ontspannen te gaan staan. U zoekt het schou­ derblad en markeert ongeveer twee centimeter onder het laagste punt van het schouderblad. U pakt de huidplooi een centimeter boven dit punt op in een hoek van 45 graden. Vervolgens zet u de HPD-caliper op het gemarkeerde punt. Na ongeveer twee seconden leest u de waarde in millimeters af, haalt de HPD-caliper van de huid en noteert de waarde.

Supra-iliacale plooi
Deze huidplooi bevindt zich bij het bekken, op afbeelding 5 is dit punt 4. U vraagt de cliënt ontspannen te gaan staan. U voelt de bovenrand van het heupbeen, dit bevindt zich loodrecht onder de oksel. Markeer vervolgens twee centimeter boven dit punt. Vervolgens pakt u de huidplooi ongeveer twee centimeter boven de markering in een hoek van 45 graden naar binnen. U plaatst de HPD-caliper op de markering en leest na ongeveer twee seconden de waarde in millimeters af. Hierna verwijdert u de HPD-caliper en noteert de waarde.

Zodra u klaar bent met de metingen, laat u de cliënt zich weer aankleden.
Om een betrouwbare meting te krijgen, meet u elke huidplooi drie keer. Van elke huidplooi berekent u de gemiddelde waarde. U hebt nu vier cijfers voor de huidplooien. Deze cijfers telt u bij elkaar op. Om iets te kunnen zeggen \
over de waarde van de getallen, maakt u gebruik van de tabel van Durnin en Womersley, die u in de mediatheek vindt. De som van de vier huidplooien is het vetpercentage van de cliënt. Er zijn verschillende tabellen voor mannen en vrouwen. Deze vindt u in de afbeelding.
Vervolgens vertelt u de cliënt het resultaat en noteert u dit op het registratie­ formulier.

Bio-elektrische impedantiemeting
De bio-elektrische impedantiemeting of BIA-meting heeft als uitgangspunt, dat vetmassa slechter stroom geleidt dan andere weefsels in het lichaam. Door gebruik te maken van een zwakke wisselstroom wordt de weerstand van het lichaam gemeten. Vetweefsel heeft een grotere weerstand dan vetvrije massa (spierweefsel, water). Een BIA-meting geeft een schatting van de verhouding tussen de vetmassa en de vetvrije massa.

Bij de BIA-meting worden elektroden geplaatst op handen en voeten. Via deze elektroden wordt een zwakke wisselstroom met verschillende frequenties ( door het lichaam gestuurd. De cliënt ligt hierbij op een onderzoekstafel. Via
een computer kan de waarde worden afgelezen.

Een aantal kanttekeningen bij deze methode:
• De benodigde apparatuur maken deze methode erg duur voor een gewichtsconsulent. De BIA-meting wordt vaker uitgevoerd in zieken­ huizen.
• De meting mag niet worden uitgevoerd bij mensen met een pacemaker.
• Vanwege een veranderde vochthuishouding zijn de resultaten niet betrouwbaar bij ouderen en zwangeren.

U hebt nu kennis gemaakt met een aantal technieken om antropometrische gegevens bij uw cliënten te meten. Sommige methoden, zoals gewicht en middelomtrek, kunt u regelmatig meten om veranderingen hierin bij te houden.
Bij het beoordelen van de meetgegevens vergelijkt u de resultaten van uw
cliënten met de zogenaamde normaalwaarden.We zullen deze normaal­ ( )
waarden bespreken. Naarmate u langer in de praktijk met cliënten werkt, zult
u deze uit uw hoofd leren kennen. Maar het is handig om tabellen in de spreekkamer bij de hand te hebben. U kunt deze tabellen ook gebruiken als voorlichtingsmateriaal voor uw cliënten.

Normaalwaarden
We bespreken hier de volgende normaalwaarden:
• BMI.
• Middelomtrek.
• Vetpercentage.

Normaalwaarden zijn waarden die aangeven dat een gevonden waarde gezond is of dat er sprake is van een ongezonde meetwaarde.

BMI
De normaalwaarden die voor de BMI gelden, zijn internationaal vastgesteld.
De Wereld Gezondheidsorganisatie (WHO) hanteert deze normen. De BMI-normaalwaarden zijn alleen geldig voor mensen van 18-70 jaar.

Interpretatie van de queteletindex voor volwassenen:

Index (kg/m2) Interpretatie
minder dan 18,5
18,5 tot 25
25 tot 27
27 tot 30
30 tot 40
meer dan 40
ondergewicht
normalagewicht
licht overgewicht
matig overgewicht
ernstig overgewicht
ziekelijk overgewicht

Middelomtrek
De middelomtrek is een maat die iets zegt over de mate van buikvet. De normaal waarden in de tabel zijn geldig voor volwassenen tussen 18-60 jaar.
Voor jongeren en ouderen geldt een andere lichaamsbouw, zodat de waarde minder betrouwbaar is.

De volgende normwaarden worden gehanteerd:

Mannen Vrouwen Betekenis
< 79 cm
79-94 cm
94-102 cm
> 102 cm
< 68 cm
68-80 cm
80-88 cm
> 88 cm
Mogelijk ondergewicht
Gezonde middelomtrek
Blijf op gewicht (gevarenzone komt in beeld)
Probeer af te vallen (verhoogd risico)

Vetpercentage
De BMI zegt iets over de mate van overgewicht, maar zoals gezegd, is daarmee onvoldoende bekend hoe de lichaamssamenstelling is. De middelomtrek meten is een goed hulpmiddel om meer te zeggen over de manier waarop de vetmassa verdeeld is over het lichaam. Om iets te kunnen zeggen over de verhouding tussen vetmassa en vetvrije massa (spieren, organen, botten) is
het nuttig om het vetpercentage vast te stellen.
De normaal waarden voor het vetpercentage zijn verschillend per geslacht. Daarnaast zijn er verschillen in diverse leeftijdsg roepen aan te geven. De normaal waarden voor het vetpercentage zijn als volgt:

Mannen

Leeftijd Laag Normaal Hoog Zeer Hoog
15-29
30-39
40-49
50-59
60+
< 8
< 11
< 13
< 15
< 17
8-18
11-20
13-22
15-24
17-26
18-24
20-26
22-28
24-30
26-34
> 24
> 26
> 28
> 30
> 34

Vrouwen

Leeftijd Laag Normaal Hoog Zeer Hoog
15-29
30-39
40-49
50-59
60 +
< 20
< 22
< 24
< 26
< 28
20-29
22-31
24-33
26-35
28-37
29-36
31-38
33-40
35-42
37-44
> 36
> 38
> 40
> 42
> 44

De normwaarden voor het vetpercentage zijn voortgekomen uit epidemiolo­ gisch onderzoek. Er kunnen altijd individuele verschillen bestaan. Gebruik de tabellen als een richtlijn en niet als een absolute norm.
Wat voor de middelomtrek gezegd wordt, geldt ook voor het vetpercentage.
Over het algemeen zal er bij een te hoge BMI ook sprake zijn van een te hoog vetpercentage. Bij mensen die veel sporten, is vaak de BMI wat hoger, maar het vetpercentage lager omdat zij in verhouding meer spiermassa hebben.
Ook komt het voor dat de BMI in de gezonde range valt, maar dat de cliënt
een te grote hoeveelheid vet heeft. Het extra vet is dan niet voor het oog ( ‘) zichtbaar. Vaak is het dan opgeslagen rond de organen. Vermindering van het
gewicht is dan niet nodig, een verlaging van het vetpercentage wel.

Tot slot
U hebt kennisgemaakt met instrumenten en methodieken om het voedings­ patroon en de antropometrische gegevens te bepalen. Verderop in deze cursus leert u hoe u de energiebehoefte en het energiegebruik kunt berekenen. Aan de hand van deze informatie kunt u de behandeling gaan beginnen.

 

Geef een reactie