Richtlijnen

In deze cursus hebt u kennisgemaakt met diverse richtlijnen. Er bestaan richtlijnen die gericht zijn op voeding en richtlijnen voor beweging. Soms kan het lijken alsof richtlijnen een dwingende eis zijn die voor elke cliënt van toepassing hoort te zijn. Dit is zeker niet geval. Gezien het feit dat ieder mens uniek is en een ander leven leidt, kunt u niet volstaan met alleen een richtlijn.
Richtlijnen zijn een basis van waaruit u een persoonlijk, op maat gemaakt voedingsadvies meegeeft aan de cliënt.

In Nederland zijn er diverse instanties die zich bezighouden met advisering rondom gezonde voeding en aanverwante onderwerpen. De belangrijkste daarvan behandelen we in dit hoofdstuk, zoals de Beraads­ groep Voeding van de Gezondheidsraad en het Voedingscentrum.

Gezondheidsraad

De Gezondheidsraad is een onafhankelijk wetenschappelijk adviesorgaan dat als taak heeft ministers en parlement te adviseren op het gebied van de volks­ gezondheid en het gezondheids(zorg)onderzoek. Ministers vragen de Gezondheidsraad om advies waarmee beleidsbeslissingenonderbouwd kunnen worden. Daarnaast heeft de Gezondheidsraad een signalerende functie: hij kan ook ongevraagd advies uitbrengen. Uitgangspunt is in beide gevallen het verbeteren van de volksgezondheid, waarbij advies over gezonde voeding een belangrijk onderdeel is.
Zowel de gevraagde als de ongevraagde adviezen zijn gebaseerd op weten­
schappelijke onderzoeken en zijn een ondersteuning voor de beleidsontwik­ keling van ministeries. De Gezondheidsraad brengt nauwkeurig de stand van wetenschap in kaart, en weegt de verschillende mogelijkheden voor het doelmatig verbeteren van de volksgezondheid.Baanbrekende antwoorden op wetenschappelijke vraagstukken worden daarbij niet geformuleerd. De Gezondheidsraad werkt met wat er op een bepaald moment aan kennis bestaat. Overigens zijn de interpretatie en weging van die kennis een uiterst complexe taak. Onderzoekers komen met uiteenlopende resultaten, en gegevens zijn niet altijd gemakkelijk te duiden. Bovendien is er op elk terrein een veelheid aan materiaal.

Om recht te doen aan deze complexiteit zijn in de Gezondheidsraad zo’n tweehonderd deskundigen verzameld, die ingezet worden bij het beant­ woorden van adviesvragen. De Gezondheidsraad komt niet plenair bijeen, maar werkt per advies in ad-hoccommissies. Die commissies bestaan uit raadsleden die gespecialiseerd zijn op het terrein in kwestie, en daarnaast uit deskundigen die geen lid zijn van de Gezondheidsraad. In zo’n commissie proberen deze experts met elkaar consensus te bereiken over de interpretatie

en weging van de huidige stand van kennis. Adviezen worden getoetst door een van de acht beraadsgroepen, waar de Beraadsgroep Voeding er een van is,
alvorens zij worden aangeboden aan de betreffende minister.

De Gezondheidsraad houdt zich bezig met vraagstukken als: welke voedings­ middelen bevorderen een goede gezondheid en welke brengen bepaalde gezondheidsrisico’s mee?
Gezondheidsraad-publicaties zoals richtlijnen richten zich onder meer op: gezondheidsrisico’s van een teveel of een tekort aan macronutriënten (koolhy­ draten, eiwitten en vetten) en micronutriënten (vitamines, mineralen, sporen­ elementen); de relatie tussen voeding en ziektes (obesitas, diabetes, eetstoor­ nissen); de relatie tussen productiemethoden van voedsel en de gezondheidsrisico’s en -voordelen voor de consument.

Binnen dit kader heeft de Gezondheidsraad richtlijnen opgesteld voor een goede voeding. Deze richtlijnen zijn uitgedrukt in hoeveelheden voedings­ stoffen. Bepaald is daarbij onder andere hoeveel energie nodig is bij welke leeftijdscategorie en hoeveel vitamines en mineralen we dagelijks nodig hebben.

We eten echter geen voedingsstoffen, maar voedingsmiddelen waarin deze voedingsstoffen voorkomen. Het Voedingscentrum heeft de richtlijnen van de Gezondheidsraad dan ook vertaald naar voedingsmiddelen. De voorlichtings­ instrumenten die het Voedingscentrum daarbij gebruikt, is de Schijf van Vijf, die zullen we hierna bespreken.

Het Voedingscentrum
Naast de voedingsvoorlichting aan de overheid, is de stichting Voedings­ centrum Nederland in het leven geroepen, die bruikbare richtlijnen en adviezen geeft. Het motto van het Voedingscentrum is:’Eerlijk over eten’. De vele landelijke en doelgroepgerichte publiekscampagnes, een actuele en veelbezochte website – www.voedingscentrum.nl – en 75.000 telefonische vragen per jaar illustreren de gezaghebbende rol van het Voedingscentrum.
Het Voedingscentrum wordt gefinancierd door het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en het ministerie van Volksgezondheid,Welzijn en Sport.

Het Voedingscentrum richt zich voornamelijk op de onderwerpen ‘gezond’, ‘veilig’ en ‘bewust eten’. Door internationalisering en schaalvergroting komt ons eten inmiddels uit de hele wereld. Reclameboodschappen eisen continu aandacht voor nieuwe of verbeterde producten. Wetenschappers komen tot nieuwe inzichten. Mede dankzij de veranderende maatschappij verschuift de aandacht naar andere aspecten van voedsel en voedselconsumptie. U kunt hierbij denken aan de zorg omtrent het milieu, zoals overbevissing van de zeeën. Via allerlei kanalen krijgen consumenten berichten, die soms tegen­ strijdig zijn. Het Voedingscentrum voorziet in de groeiende behoefte aan onafhankelijke, betrouwbare informatie over gezond, veilig en bewust eten.

Gezond eten levert een belangrijke bijdrage aan een gezond leven. Het is vaak de oplossing voor veel hedendaagse gezondheidsproblemen. De Schijf van Vijf, die verderop in dit hoofdstuk nog uitgebreid aan bod komt, is een handig hulpmiddel, dat het Voedingscentrum inzet bij zijn voorlichting. Als u eet volgens de Schijf van Vijf, krijgt u alle voedingsstoffen binnen die nodig zijn om het lichaam gezond te houden. Dit is ook de basis voor het bereiken en
behouden van een gezond gewicht.

Behalve goede voeding, is de preventie van overgewicht ook een aandachts­ gebied van het Voedingscentrum.

Onderdeel van ‘eerlijk over eten’ is ook het onderwerp voedselveiligheid. Informatie geven over onder andere veiligheidsnormen, ongezonde en gifstoffen of ziekteverwekkers in voedsel blijft belangrijk. Net als onder­ werpen waar de consument zelf een rol in speelt, zoals hygiëne bij het kopen, bereiden en bewaren van voedsel.

Traditioneel gaat het bij de kwaliteit van voedsel vooral om basiswaarden als voedselzekerheid, gezonde voeding en voedselveiligheid.Tegenwoordig is, dankzij de overvloed aan gezond en veilig voedsel en de gestegen welvaart, de aandacht ook gericht op andere aspecten: de zogenaamde meerwaarden.
Daarbij gaat het om zaken als dierenwelzijn, milieu, natuur, cultuur en eerlijke prijs (fair trade). Maar ook landschap (onder andere koeien in de wei) en authenticiteit (onder andere rauwmelkse kaas en streekproducten) worden steeds belangrijker.

Het Voedingscentrum vraagt daarom in zijn campagnes nadrukkelijker dan voorheen aandacht voor deze meerwaarden. Hiermee wordt beoogd dat consumenten steeds bewuster worden van hun eigen rol in de voedselketen, waardoor zij beter in staat zijn om ook op dit vlak een weldoordachte keuze te maken.

Voedingsnormen

De Commissie Voedingsnormen van de Gezondheidsraad doet aanbevelingen voor de aanbevolen hoeveelheden voor energie en voedingsstoffen die de voeding dagelijks moet leveren. De term voedingsnormen is een verza­ melnaam voor de gemiddelde behoefte, aanbevolen hoeveelheid, adequate inneming en aanvaardbare bovengrens. De behoefte aan een voedingsstof is de inneming die deficiëntieverschijnselen voorkomt en de kans op chronische ziekten zo klein mogelijk houdt.

De gemiddelde behoefte is – bij een normale spreiding van de behoefte – het niveau van inneming, dat toereikend is voor de helft van de populatie.
De aanbevolen hoeveelheid wordt berekend als de gemiddelde behoefte plus tweemaal de standaarddeviatie van de behoefte. Dit is een statistische term die aangeeft dat ongeveer 95% binnen deze waarde valt. Deze inneming is dan voldoende voor vrijwel alle mensen in de beschouwde groep.

Ook als de gemiddelde behoefte onbekend is, bepaalt de commissie welk niveau van inneming voldoende is voor de gehele populatie. Dan spreekt zij echter niet van ‘aanbevolen hoeveelheid’, maar van ‘adequate inneming’.
Ten slotte specificeert de commissie de aanvaardbare bovengrens van inneming. Dit is de inneming waarboven de kans bestaat dat ongewenste effecten optreden.
Richtlijnen Goede Voeding
De uitgangspunten voor een gezonde voeding zijn gebaseerd op de Richt­ lijnen Goede Voeding (RGV) van de Gezondheidsraad en de daarvan afgeleide Richtlijnen Schijf van Vijf. In de Schijf van Vijf is aangegeven hoe een voedingspatroon eruit kan zien dat zo goed mogelijk aansluit bij de RGV.

De eerdere Richtlijnen Goede Voeding dateren uit 1986 en 2006. De Richt­ lijnen Goede Voeding zijn in november 2015 opnieuw herzien. Ten opzichte van deze richtlijnen zijn er verschillen waar te nemen. Naast een expertgroep hebben belangstellenden kunnen reageren op conceptversies van de richtlijn. Daarbij werd uiteraard wel het wetenschappelijk gehalte van de voedings­ vraagstukken in acht genomen.

Een voorbeeld
De 35-jarige Hanne heeft overgewicht. Ze heeft al diverse keren een
afslankkuur gevolgd, maar kwam telkens weer aan. Ook haar moeder is
iemand die veel aan de lijn doet en heeft gedaan.
Haar moeder laat sinds een aantal maanden het brood staan. Volgens haar
is dat een dikmaker. Hanne besluit hetzelfde te doen. Ze kan het gemak­ kelijk volhouden en valt enkele kilo’s af.
Via een vriendin wordt ze op het concept van de richtlijnen gewezen. Hierin staan ook adviezen die gericht zijn op brood. Hanne laat weten dat zij het niet eens is met de richtlijn, omdat brood volgens haar een dikmaker is.

Op grond van de ervaring van één persoon die enkele weken geen brood neemt, kan een organisatie uiteraard geen uitspraken doen die voor hele bevolkingsgroepen zouden moeten gelden. Hiervoor is het nodig om infor­ matie uit wetenschappelijk onderzoek te halen, waarbij grote groepen mensen zijn gevraagd. Voorbeelden hiervan in Nederland zijn de Voedselconsumptie­ peilingen of VCP.

De eerste hiervan werd in de periode 1987-1988 gehouden. In 1992 werd een tweede VCP gehouden en in 1997-1998 een derde. Duizenden volwassen Nederlanders vanaf 18 jaar hielden op twee achtereenvolgende dagen een eetdagboek bij. In 2003 is een VCP gehouden onder jongvolwassenen tussen 19 en 30 jaar en in 2005-2006 onder jonge kinderen tussen 2 en 6 jaar. In de periode 2010-2012 is een VCP gehouden onder ouderen boven de 70 jaar. In de periode 2007-2010 is een VCP-basis gehouden onder personen tussen 7 en 69 jaar. Deze VCP-basis is herhaald onder personen tussen 1 en 79 jaar oud.

Er zijn verschillende doeleinden waarvoor de VCP wordt ingezet. De gegevens worden gebruikt voor voedingsbeleid op het gebied van gezonde voeding en voedselveiligheid. De informatie wordt door het Voedingscentrum gebruikt om voorlichting aan consumenten te geven. Ook binnen onderwijs en onderzoek worden gegevens uit de VCP ingezet.

Bij de ontwikkeling van de nieuwste richtlijnen is, in vergelijking met de oudere richtlijnen, meer rekening gehouden met voedingskeuzes die mensen maken.
In de oude richtlijnen werden adviezen gegeven over voedingsstoffen en werd
dit uitgewerkt in een algemeen advies dat gericht was op de basisvoedings- m iddelen. In de nieuwe richtlijnen zijn voedingsmiddelen anders ingedeeld. Daarbij is er een aanbeveling om mee r plantaardig en minder dierlijk te eten .

Een voorbeeld
In de oude richtlijn was de aanbeveling voor vrouwen tussen 19-50 jaar om per dag 100 gram vlees of vis te nemen. In de nieuwe richtlijn is de aanbe­ veling om maximaal 500 gram per week onbewerkt vlees te eten en daarnaast vis, peu lvruchten of eieren te nemen in plaats van elke dag vlees.

De Richtlijnen Goede Voeding in het kort
Samengevat komen de nieuwe richtlijnen op het volgende neer:
• Eet dagelijks ten minste 200 gram groente en ten minste 200 gram fruit.
• Eet dagelijks ten minste 90 gram bruin brood, volko renbro od of andere volkorenproducten .
• Eet wekelijks peulvruchten.
• Eet ten m inste 15 gram ongezouten noten per dag.
• Neem enkele po rties zuivel per dag, waaron der melk of yoghurt.
• Eet een keer per week vis, bij voorkeur vette vis.
• Drink dagelijks drie koppen thee (zwar t of groen).
• Vervang geraffineerde g raanprodu cten door volkorenproducten.
• Vervang bote r, harde margar ine en bak- en braadve tten door zachte margarine, vloeibaar bak- en braadvet en plan taard ige oliën.
• Vervang ongefilterde door gefilterde koffie.
• Beperk de consumptie van rood vlees en vooral bewerkt vlees.
• Drink zo min mogelijk suike rho udende dranken.
• Drink geen alcohol of in ieder geval niet meer dan één glas per dag.
• Beperk de inname van keukenzo ut tot maximaal 6 gram per dag.
• Het gebruik van voedingsstofsupplementen is niet nodig, behalve voor mensen die tot een specifieke groep behoren waarvoor een suppletieadvies geldt.

De Richtlijnen Schijf van Vijf
De Richtlijnen Goede Voeding lijken helder, maar voor een cliënt die wil afvallen, kan het moeilijk zijn hier een concreet advies op te maken. Stel dat u de cliënt adviseert om enkele porties zuivel per dag te nemen. Hoeveel porties zijn dat? Hoe groo t is één port ie? Gaat het om magere, halfvolle of volle producten? Valt choco lademelk er ook onder, of vruchtenkwark of pudding? Kortom, de richtlijnen vertalen zich niet zo gemakkelijk naar een concreet advies.

Met de Schijf van Vijf is da t wel het geval. Aan de hand van de produc t­ groepe n kunt u aan bevelingen doen voor het menu van uw cliënten. Zo kun t u een weekmenu samenste llen, waarbij u de richtlijnen verwerkt in een advies met ruimte voor eigen inbreng van de cliënt.

Een voorbeeld
U geeft de cliënt een weekmenu mee met daa rin adviezen voor ontbijt, ochtendtussendoortje, lunch, avondeten en avondtussendoortje. Het middagtussendoortje mag hij zelf bepalen . De producten vallen allemaa l binnen de Schijf.
De cliënt kan deels zelf bepalen wat hij dan neemt. Bijvoorbeeld, hij kan bij de warme maaltijd kiezen voor gekookte aardappelen, maar ook voor volko ren pasta. Aan de hand van variatielijsten weet de cliënt welke producten hij kan kiezen . Het middagtussendoortje staat vrij. Hierbij kan de cliënt één keer per week kiezen voor een groter tussendoortje, zoals een grote koek of glas alcohol. De andere dagen kiest hij voor een klein tussen­ doortje.
Wanneer de cliënt het streefgewicht heeft bereikt, krijgt hij wat meer ruimte om zelf variaties te maken. De cliënt bemerkt dat hij veel baat heeft bij zijn nieuwe, gezonde voedingspatroon en kiest ervoor om als tussen­ doortje te gaan voor rauwkost, fruit of een cracker met kaas.

In de praktijk kunt u ervoor kiezen volledige menu’s voor uw cliënten samen te stellen. De cliënt eet dan uitsluitend wat op het lijstje staat. U kunt ook kiezen voor variatielijsten die gebaseerd zijn op de richtlijnen, waarbij de cliënt zelf meer keuze heeft voor de invulling.
Door de voedingsadviezen zo veel mogelijk op de richtlijnen te baseren, biedt u uw cliënten gezonde, evenwichtige maaltijden en tussendoortjes die niet alleen geschikt zijn om af te vallen, maar die ook hun gezondheid ten goede komen.

 

Afb. 1. De Schijf van Vijf

Geef een reactie