Ziekteleer

De grenzen van uw vakgebied

Er zijn veel ziektebeelden die rechtstreeks samenhangen met voeding. Het kan zijn, dat het eten van voedsel voor de persoon in kwestie een probleem is, zoals we kunnen zien bij eetstoornissen. Ook kan het voorkomen, dat het nemen van voedsel lijdt tot lichamelijke problemen, zoals bij een voedselallergie of diabetes mellitus. Daarnaast zijn er ziektebeelden die het gevolg kunnen zijn van een langdurig verkeerd voedingspatroon, dat gekenmerkt wordt door te veel vet, te veel zout en te weinig gezonde voedingsstoffen. Een voorbeeld hiervan zijn hart- en vaatziekten.

Voedingsadviezen aan mensen met een bepaalde ziekte liggen op het werkterrein van de diëtist. Een gewichtsconsulent of voedingsadviseur houdt zich bezig met de begeleiding van gezonde mensen met overge­ wicht. Wanneer een cliënt met een bepaald ziektebeeld zich bij u meldt, zult u moeten doorverwijzen. De voedings- en dieetadviezen voor deze groepen cliënten zijn niet alleen gericht op een gezonde voedingstoestand, maar dragen ook bij aan vermindering of genezing van de ziekte. Dit vraagt een grondige kennis en achtergrond in medische aandoeningen en de rol van voeding hierbij.

Desondanks is het belangrijk dat u enigszins bekend bent met verschil­ lende ziektebeelden. Wanneer u de verschijnselen van een bepaalde ziekte
kunt herkennen, bent u beter in staat de cliënt gericht door te verwijzen. U voorkomt hiermee dat de begeleiding voor de cliënt een risico kan vormen. Door ziektebeelden sneller te herkennen, kunt u ook sneller de grenzen van uw beroep aangeven en bent u eerlijk en respectvol naar uw cliënt toe.
In dit hoofdstuk wordt een aantal ziektes behandeld die u in de praktijk
van een gewichtsconsulent kunt tegenkomen. Achtereenvolgens zullen we behandelen:
• Hoge bloeddruk.
• Hypercholesterolemie.
• Metabool syndroom.
• Diabetes mellitus.
• Obstipatie en diarree.
• Voedselallergie en voedselintolerantie.
• Eetstoornissen.

 

Hoge bloeddruk (hypertensie)

De bloeddruk, ook wel tensie genoemd, in het hart en de slagaders is de druk die het bloed daar uitoefent. Het hart kent een actieve vullingsfase (systole) en een passieve vullingsfase (disto le). In de actiefase is de druk van het bloed hoger dan in de passieve fase. Een bloeddruk van 120/80 mmHg (millime­ terkwik) wordt als ideaal gezien.

Een hoge bloeddruk is een risicofactor voor het ontstaan van hart- en ( ; vaatziekten. Bij het meten van de bloeddruk worden bovendruk en onderdruk vastgesteld. Bij een bovendruk van 140 mmHg en een onderdruk van
90 mmHg is er sprake van lichte hypertensie. Bij een waarde van 165/95 mmHg is er sprake van serieuze risico’s.

Oorzaken van hypertensie
Er zijn diverse factoren die van invloed zijn op het ontstaan van een te hoge
bloeddruk. Overgewicht speelt een rol, evenals een te hoog alcoholgebruik, roken, een hoog zoutgebruik en een te laag kaliumgebruik,zoals bij een voeding die arm is aan groente en fruit. Koffie en drop zijn eveneens van invloed op de bloeddruk.
Een dieet bij hypertensie is gericht op deze factoren.

Dieet bij hypertensie
Gewichtsvermindering is een belangrijke factor voor het dalen van de bloeddruk. Als daarbij ook nog beweging wordt ingezet, heeft dat een
aanvullend positief effect.

Natriumbeperking
De behoefte aan natrium of zout is laag, niet meer dan 500 mg per dag. Dit komt overeen met 1,5 gram keukenzout. De geschatte inname van natrium ligt op ongeveer 3,6 gram. Er zijn echter grote verschillen in het effect van natriumbeperking op de bloeddruk. Dit wordt ook wel zo utgevoeligheid genoemd. Ongeveer 50% van de ouderen met een hoge bloeddruk is zoutge­ voelig. Dit betekent dat zij veel sneller last krijgen van een hoge bloeddruk als zij zout nemen. Vaak kunnen zij niet zonder medicijnen voor de bloeddruk. Een zoutbeperking bij deze groep mensen helpt bovendien het bloeddrukver­ lagend effect van de medicatie te versterken.
Op mensen met een normale bloeddruk heeft natriumbeperking geen effect.

Andere voedingsstoffen
Een verhoogde consumptie van groenten en fruit kan een bijdrage leveren bij het verlagen van hypertensie. Groenten en fruit bevatten kalium en dit
mineraal helpt om de hoeveelheid natrium in het bloed in evenwicht te )
houden. Dit effect is nog groter in combinatie met het gebruik van magere
zuivel(calcium) en een vermindering van de consumptie van verzadigd en totaalvet.
In plaats van rood vlees worden vis en kip aanbevolen. Koolhydraten dienen zo veel mogelijk ongeraffineerd te zijn, dus volkorenproducten.
Deze voedingswijze is onder de naam ‘DASH’-dieet bekend geworden. Hoewel de daling van de bloeddruk groot is in vergelijking met mensen die alleen zout verminderen, wordt het volgen van dit dieet als zeer zwaar ervaren.

Koffie en drop
Koffie verhoogt de bloeddruk in lichte mate. Dit effect is echter zo klein, dat er in verband met hypertensie geen algemeen advies is ontwikkeld over het gebruik van koffie.
Drop in grote hoeveelheden werkt ook bloeddrukverhogend. Drop bevat de stof glycyrrhizinezuur van het zoethoutwortelextract. Veel gebruik van
zoethoutthee wordt daarom ook afgeraden.

Naast voedings- en beweegadviezen krijgt men vaak het advies te stoppen met roken, omdat roken de bloeddruk ook verhoogt.

Te hoog cholesterol (hypercholesterolemie)

Een te hoog cholesterolgehalte in het bloed wordt aangeduid met de term hypercholesterolemie.Dit is een risico voor het ontstaan van atherosclerose (slagaderverkalking).
Gezonde bloedvaten zijn spiegelglad aan de binnenkant, zodat het bloed
tijdens de kringloop, van hart naar organen en weer terug, geen obstakels aantreft. Door verschillende oorzaken kan de gladde vaatwand worden beschadigd, waardoor de wand als het ware ruwer wordt. Op plaatsen waar de wand beschadigd is, zal het lichaam maatregelen treffen om die beschadiging ongedaan te maken. Dit doet het onder andere door klontering van bloed­ plaaatjes op de beschadigde plekken. De bloedvaten transporteren echter niet alleen bloed, maar ook allerlei voedingsstoffen; deze stoffen kunnen zich ophopen onder de klonterende bloedplaatjes. De bloedvaten worden nauwer. Die vernauwing wordt atherosclerose genoemd.
Uiteindelijk kan het bloedvat helemaal dichtslibben, zodat er geen bloed meer doorheen kan stromen. Bloed vervoert zuurstof en voedingsstoffen.Wanneer een bloedvat verstopt raakt, zal het deel dat daarachter ligt geen zuurstof en voeding meer krijgen, waardoor het afsterft. Behalve het plaatsvinden van dichtslibbing kunnen er ook stukjes van een prop in een bloedvat loslaten en een afsluiting veroorzaken in een ander bloedvat. We spreken dan van een embolie.

Een te hoog cholesterolgehalte is dus een risico voor het ontstaan van hart- en vaatziekten. Nu is cholesterol een belangrijke stof voor het lichaam.
Cholesterol moet door het hele lichaam vervoerd worden. Het heeft bijvoor­ beeld een werking bij de aanmaak van celmembranen van de lichaamscellen. Net als vet en olie lost cholesterol niet op in water en ook niet in bloed. Het wordt in het bloed vervoerd doordat het gebonden wordt aan eiwitten. Deze cholesterol-eiwitverbindingen worden lipoproteïnen genoemd. Hiervan zijn er twee soorten, lagedichtheidlipoproteïnen (LDL) en hogedichtheidlipopro­ teïnen (HDL).

De LDL vervoeren de cholesterol van de lever naar de rest van het lichaam en worden ook wel de ‘slechte’ cholesterol genoemd. Onderweg kan deze choles­ terol zich gemakkelijk hechten aan de vaatwanden, vooral op ‘beschadigde’ plaatsen, die kunnen ontstaan door bijvoorbeeld roken of een verhoogde bloeddruk. Dit kan op den duur leiden tot hart- en vaataandoeningen, zoals een hartinfarct.
De HDL worden ook wel de ‘goede’ cholesterol genoemd. Deze voeren het teveel aan cholesterol af naar de lever. De lever zorgt ervoor dat de cholesterol in de darmen terechtkomt. Via de ontlasting wordt deze dan uitgescheiden.
De HDL kunnen dus als een opruimer worden gezien en ze helpen deze bloedcholesterol te verlagen. Hierdoor beschermen de HDL tegen hart- en vaatziekten.
De cholesterol die van nature voorkomt in (dierlijke) voedingsmiddelen, wordt voedingscholesterol genoemd. Deze is niet onder te verdelen in ‘goede’ of ‘slechte’ soo rten.

Door middel van bloedonderzoek kunnen de verschillende cholesterol­ (
waarden worden gemeten. Deze waarden worden uitgedrukt in millimol per liter bloed (mmol/l).
Omdat het cholesterolgehalte (sterk) kan schommelen, is het wenselijk het
onderzoek te herhalen, met minimaal een week tussen de verschillende metingen.
De hoogte van de waarde moet worden gezien in samenhang met andere factoren, zoals leeftijd, geslacht, bloeddruk, hoeveelheid beweging, wel of niet roken, lijden aan diabetes mellitus en/of hart- en vaatziekten. In het algemeen wordt een waarde tot 5,0 mmol/l als ideaal gezien. Een te hoog cholesterolge­ halte kan alleen worden gemeten; iemand voelt niet of hij dit heeft.

Voeding bij hypercholesterolemie
Een gezonde voeding volgens de Richtlijnen Goede Voeding is vaak het eerste advies dat gegeven wordt bij hypercholesterolemie.Als er sprake is van een te hoog cholesterolgehalte, zal een arts nagaan of er hart- en vaatziekten in de familie voorkomen, of de patiënt aan diabetes lijdt, of hij rookt en of er sprake
is van overgewicht. Het kan nodig zijn om medicatie te gebruiken. (
Als gezonde voeding alleen niet voldoende is, kan er daarnaast een dieet worden voorgeschreven. Dit wordt dan door een diëtist opgesteld.

Dieet bij hypercholesterolemie
Het belangrijkste in dit dieet is het verminderen van de hoeveelheid verzadigd
vet in de voeding. Verzadigd vet heeft invloed op de aanmaak van lichaams­ eigen cholesterol in de lever. Hoe meer verzadigd vet in de voeding, hoe meer cholesterol er wordt aangemaakt.

Producten die veel verzadigd vet bevatten, moeten zo veel mogelijk worden vermeden.
Daarnaast dient het cholesterol uit de voeding verminderd te worden. Sommige voedingsmiddelen zijn van nature rijk aan cholesterol, zoals eidooier, garnalen en orgaanvlees. Dit is voedingscholesterol en wordt door het lichaam opgenomen. Het effect van deze voedingscholesterol is echter veel kleiner dan de werking die verzadigd vet heeft in het lichaam op het choles­
terolgehalte in het bloed. Het advies is wel om niet meer dan twee à drie
eieren per week te gebruiken en om niet meer dan eenmaal per twee weken
lever, niertjes, garnalen of paling te eten.

Plantensterolen helpen cholesterol te verlagen
Plantenstroleen zijn stoffen die voorkomen in sommige granen, zoals rogge, haver en tarwe, in plantaardige oliën, peulvruchten, groente en fruit.

Sinds een aantal jaren zijn er smeersels voor op brood verkrijgbaar waaraan deze stoffen zijn toegevoegd. Er zijn twee merken in de handel, te weten Becel pro-activ (margarine) en Benecol (margarine en halvarine). Deze producten bevatten (net als andere dieetmargarines en dieet halvarines) in verhouding veel onverzadigd vet. Daarnaast bevatten deze producten echter de planten­ sterolen, die het cholesterolgehalte verder helpen verlagen. Ze remmen, indien ze in hoge mate in de voeding voorkomen, de opname van cholesterol in het maag-darmkanaal. Hierdoor wordt er minder cholesterol opgenomen. Dit wordt dan met de ontlasting uitgescheiden. Het advies is om producten met
plantenstroleen te gebruiken als het cholesterolgehalte hoog blijft, ondanks het beperken van de hoeveelheid verzadigd vet. Dit geldt bijvoorbeeld bij  erfelijke vormen van hypercholesterolemie.

Vooral de vezels uit groenten en fruit, peulvruchten en haver hebben een
cholesterolverlagende werking. Voedingsvezels zorgen ook voor een vol gevoel waardoor men minder trek heeft in extraatjes, die doorgaans veel verzadigd vet bevatten. Bovendien bevatten groenten en fruit veel antioxi­ danten, als vitamine C,carotenoïden en bioactieve stoffen, waarnaar momenteel veel onderzoek wordt verricht in relatie tot hart- en vaatziekten. De minimale inname zou moeten zijn 2,5 ons groenten en 2 stuks fruit.
Alcohol dient bij voorkeur vermeden te worden en hooguit één glas per dag.

Na drie maanden dieet houden moet het cholesterolgehalte voldoende zijn gedaald. Als dit inderdaad het geval is, en de cliënt wenst verandering in zijn dieet, dan kan worden bekeken of het gunstige cholesterolgehalte gehand­ haafd blijft bij voedingswijzigingen, zoals een voeding met minder verzadigd vet en minder voedingscholesterol.

Metabool syndroom
Het metabool syndroom is eigenlijk geen ziekte, maar een verzameling van ziektefactoren die bij elkaar een verhoogd risico geven op onder andere hart­
en vaatziekten. Om te kunnen spreken van het metabool syndroom moet er sprake zijn van een aantal kenmerken. Een van de kenmerken is een verhoogde buikomtrek (bij mannen> 102 cm, bij vrouwen> 80 cm) en daarnaast twee of meer van de volgende kenmerken:
• Verhoogde bloeddruk.
• Verlaagd HDL-cholesterolgehalte.
• Verhoogd triglyceridengehalte (te veel bloedvetten).
• Verhoogde nuchtere bloedglucosespiegel of een bestaande diabetes mellitus type Il.

Diabetes mellitus wordt verderop in dit hoofdstuk behandeld.
Er zijn diverse risicofactoren die bij elkaar kunnen leiden tot genoemde kenmerken en daarmee het risico op het metabool syndroom vergroten. Roken, overgewicht en een gebrek aan lichaamsbeweging zijn de belangrijkste risicofactoren. Gebleken is dat het reduceren van deze risico’s leidt tot een grotere daling van hart- en vaatziekten dan het behandelen van mensen die al aan een van deze ziekten lijden.

Behandeling metabool syndroom
Naast een dieet dat gericht is op het verminderen van energie, geraffineerde koolhydraten, verzadigd vet en zout en voldoende voedingsvezels, onverza­
digde vetten, vitaminen en mineralen, is het belangrijk dat de patiënt stopt met roken, gewicht verliest en meer gaat bewegen. Vaak worden door de huisarts medicijnen voorgeschreven om bloeddruk en cholesterolgehalte te verlagen.

Diabetes mellitus
Diabetes mellitus is een ziekte die vroeger bekend stond onder de naam ‘suikerziekte’. De behandeling van diabetes wordt uitgevoerd door een arts, een diabetesverpleegkundige en een diëtist. Dit betekent niet dat een diabeet niet in de praktijk van een gewichtsconsulent terecht kan komen. Vooral overgewicht is een risicofactor voor het ontwikkelen van een bepaalde vorm
van diabetes.
U zult cliënten met diabetes moeten doorverwijzen naar een arts of diëtist.
Er zijn twee vormen van diabetes mellitus te onderscheiden: type I en type II. Diabetes mellitus type I werd vroeger ook wel ‘juveniele diabetes’ genoemd en type II werd ‘ouderdomsdiabetes’genoemd. Beide benamingen zeggen iets over de leeftijd waarop de ziekte optrad. Tegenwoordig kampen meer mensen met diabetes type II, ook jongeren. De term ‘ouderdomsdiabetes’is daarom niet meer terecht. Tegenwoordig komt men ook de termen insulineafhanke­
lijke en niet-insulineafhankelijke diabetes mellitus tegen.

In de oudheid werden ziekteverschijnselen beschreven die we nu herkennen als symptomen van diabetes. De naam diabetes is al eeuwen oud en betekent doorloop, vanwege de grote hoeveelheden urine die de patiënt produceert. De naam mellitus werd veel later toegevoegd; dit heeft te maken met de zoetheid van de urine.
Bij toeval ontdekte men bij een proefdier dat de alvleesklier een rol speelt bij
de ziekte.

De Duitse medisch student Langerhans ontdekte in 1869 spe ciale celgroepen in de alvleesklier. Men gaf deze celgroepen later de naam eilandjes van Langerhans. Aan het eind van de 19de eeuw en het begin van de 20ste eeuw werd verondersteld dat deze eilandjes van Langerhans een hormoon vormen,
dat insuline wordt genoemd (insula = eiland). Pas in 1921 wordt insuline
geïsoleerd uit de cellen van de eilandjes van Langerhans. Het blijkt dat deze stof bij patiënten die aan diabetes lijden, de gevolgen van deze ziekte tenietdoen.

Verstoorde stofwisseling
Diabetes is een stoornis in de koolhydraatstofwisseling. Het lichaam is in de normale situatie,dus bij afwezigheid van ziekte,een perfect draaiende fabriek en kent zijn eigen drempels en voorwaarden voor de handhaving van een gezond evenwicht in alle lichaamsproce ssen. Zo heeft het lichaam ook een bepaald mechanisme om het suikergehalte van het bloed te regelen. Wanneer de koolhydraten zijn afgebroken, komt de glucose in het bloed terecht. Het lichaam hanteert echter bepaalde glucosedrempels. De bloedsuikerspiegel mag niet te hoog zijn, maar ook niet te laag. In beide gevallen kunnen er afwijkingen en beschadigingen optreden in het lichaam, althans wanneer de bloedsuikerspiegelblijvend te hoog of te laag zou zijn.

Wanneer het bloedsuikergehalte te hoog is, reageert het lichaam daarop door de afscheiding van insuline. Dit is een hormoon dat wordt gemaakt door de alvleesklier. De alvleesklier geeft dit hormoon af aan het bloed.
De taak van insuline is de lichaamscellen toegankelijk te maken voor glucose. Insuline is dus eigenlijk de sleutel die de deur van de cellen opendraait, zodat de glucose erin kan komen. Daardoor verlaagt het glucosegehalte in het bloed en nemen de cellen glucose op, die ze kunnen verbranden. Ook de lever wordt door insuline aan het werk gezet. De lever zorgt ervoor dat de glucosemole­ culen weer aan elkaar worden gekoppeld, waardoor er glycogeen ontstaat.

Insuline zorgt dus voor een verlaging van het bloedsuikergehalte. Het lichaam functioneert het best wanneer er een bepaald glucosegehalte in het bloed aanwezig is. Dit schommelt tussen de 4,5 en 8,0 mmol/liter. Dit geeft het aantal millimol glucose per liter bloed weer. Als de insulineproductie niet op tijd zou worden afgeremd, zou het bloedsuikergehalte te laag worden, waardoor er vervelende verschijnselen zouden ontstaan. Een te laag bloedsui­ kergehalte kan leiden tot flauwvallen of zelfs tot coma.
Het lichaam heeft er dus alle baat bij dat de insulineproductie op een gegeven
moment stopt. Hiervoor zorgt het lichaam zelf. Wanneer het bloedsuikerge­ halte een bepaalde onderdrempel bereikt, gaan de alvleesklier, de hypofyse (een deel van de hersenen) en ook de bijnieren hormonen afscheiden die ervoor zorgen dat de insulineproductie wordt stopgezet. Daardoor daalt het bloedsuikergehalte niet meer.
Deze hormonen zorgen er tevens voor dat de lever en de spieren het glycogeen weer gaan splitsen, zodat er weer glucose ontstaat, die aan het bloed wordt afgegeven. Ook zorgen deze hormonen ervoor dat er glucose wordt gevormd uit aminozuren en glycerol; dit zijn bouwsteentjes van eiwitten en vetten.

Bij de gezonde mens is er dus sprake van een fijn samenspel tussen deze hormonen, zodat er een zo normaal mogelijk bloedsuikergehalte wordt gehandhaafd. Bij diabetes is dit fijne samenspel verstoord, doordat de alvlees­ klier te weinig insuline maakt of in het geheel niet in staat is om insuline te maken.
Deze laatste vorm van diabetes, dus de totale afwezigheid van insuline, ontstaat meestal op jonge leeftijd. Men spreekt in dit geval van insulineafhan­ kelijke diabetes, ook wel type I-diabetes genoemd.

Wanneer het lichaam in het geheel geen insuline meer kan maken, is de patiënt aangewezen op kunstmatige toediening van insuline. Dit kan gebeuren via injecties één- of meermalen per dag. Er bestaan ook insuline­ pompjes die vanuit een reservoir insuline toedienen aan de patiënt.

Wanneer het lichaam weinig insuline maakt, kunnen er medicijnen worden verstrekt die ervoor zorgen dat het weinige insuline goed wordt benut, of die de alvleesklier stimuleren tot een grotere insulineproductie. In sommige gevallen kan worden volstaan met een dieet, waarbij vooral een goed gewicht wordt beoogd. Beweging is daarbij ook belangrijk. Men spreekt van niet-insu­ lineafhankelijke diabetes, ook wel type II-diabetes genoemd.

Oorzaken van diabetes
Men vermoedt dat diabetes type I een auto-immuunaandoening is. De
afweercellen vallen lichaamseigen stoffen aan en beschadigen deze. Zo zouden de cellen uit de eilandjes van Lang erhans worden aangevallen.

Van een aantal factoren is bekend dat het kan leiden tot een niet-insulineaf­ hankelijke diabetes.
Deze factoren zijn:
• overgewicht
• zwangerschap
• leeftijd
• stress.

Overgewicht
Overgewicht kan een sluimerende diabetes openbaar maken. Een te zwaar persoon heeft meer insuline nodig om alle lichaamscellen van glucose te voorzien dan iemand met een normaal lichaamsgewicht. Bij overgewicht

worden de cellen minder gevoelig voor insuline. In veel gevallen verdwijnt de diabetes weer wanneer de patiënt vermagert.

Zwangerschap
Bij een zwangerschap kan diabetes zich openbaren. Men spreekt dan ook wel van een zwangerschapsdiabetes.We zien dit wel voorkomen bij vrouwen die familieleden hebben met diabetes. Vaak verdwijnt de diabetes weer na de bevalling. Wanneer een vrouw tijdens meer zwangerschappen diabetes heeft gehad, stijgt de kans op blijvende diabetes.

Leeftijd
Naarmate men ouder wordt, neemt de kans op het openbaar worden van diabetes toe. In de praktijk kunt u dit vaak waarnemen bij ouderen (vandaar de term ouderdomsdiabetes). Dit kan worden veroorzaakt doordat alle lichaamsfuncties bij het ouder worden wat achteruitgaan, dus ook de alvlees­ klierfunctie. Daarnaast kampen ouderen weleens met overgewicht, mede omdat in de loop van de jaren de voedingsgewoonten niet zijn aangepast aan
een verminderde energiebehoefte.

Stress
Soms openbaart diabetes zich nadat iemand een extreme belasting heeft moeten verduren, bijvoorbeeld een ernstige ziekte of ernstige werkstress. Soms verdwijnt de diabetes na de belasting, soms is de diabetes blijvend.

Hoe dit precies wordt veroorzaakt, is nog niet duidelijk. Wel weet men dat stress een aanslag kan zijn op de bijnieren, die ook hormonen afscheiden ten behoeve van de koolhydraatstofwisseling.

Symptomen diabetes type II
Diabetes type II is vaak te herkennen aan één of meer van de volgende klachten:
• vaak dorst hebben en veel moeten plassen
• vermoeidheid
• oogklachten, zoals wazig zien, dubbel zien of slecht zien, rode en
branderige ogen )
• slecht genezende wondjes
• kortademigheid of pijn in de benen bij het lopen
• vaak terugkerende infecties.
Omdat de klachten niet erg duidelijk zijn, kunnen mensen zonder het te weten jarenlang rondlopen met diabetes.

Er zijn in Nederland ruim een miljoen mensen met diabetes type II. Ongeveer een kwart van hen weet niet dat zij deze ziekte hebben.

Behandeling
Zoals vermeld, zijn een dieet en voldoende beweging de belangrijkste vormen van behandeling van diabetes type Il. Het diabetesdieet voor type II bestaat uit gezonde voeding volgens de Richtlijnen Goede Voeding. Daarnaast is er extra aandacht voor:
• beperking van geraffineerde koolhydraten om overgewicht te verminderen en hart- en vaatziekten te voorkomen
• zo min mogelijk verzadigd vet te eten, dit helpt om hart- en vaatziekten te )
voorkomen

• het behouden van een gezond gewicht of een paar kilo’s afvallen bij overgewicht, dit heeft een gunstig effect op de bloedglucose
• matig nuttigen van rood vlees
• met mate, maar liever helemaal geen alcohol drinken, dat voorkomt dat het bloedglucosegehalte ontregeld wordt
• voldoende voedingsvezels. Vezels uit fruit, groente en peulvruchten hebben een gunstige werking op zowel de bloedglucose als het cholesterol­ gehalte van het bloed
• niet te veel cholesterolrijke levensmiddelen nuttigen. Niet meer dan drie eieren per week en hooguit eens in de twee weken lever, nier, paling of garnalen.
• een goede inname van vitamine D.

Een dieet met een laag gehalte aan koolhydraten, soms minder dan 50 gram per dag, geeft op korte termijn een gunstig resultaat. Op langere termijn is echter niet bekend wat het effect is van een langdurig koolhydraatarm dieet.
Obstipatie en diarree

Verstopping of obstipatie is een veelvoorkomende aandoening die u bij de lijner kunt tegenkomen. De belangrijkste kenmerken van obstipatie zijn:
• weinig frequente ontlasting
• geringe hoeveelheid ontlasting
• langdurige aanwezigheid van de ontlasting in de dikke darm
• een vol, opgeblazen gevoel
• in mindere mate: buikpijn, hoofdpijn, gebrek aan eetlust.

Oorzaken van obstipatie
Er zijn verschillende oorzaken aan te wijzen voor het ontstaan van obstipatie.
De belangrijkste is wanneer de voeding te weinig onverteerbare bestanddelen (vezels) en te weinig vocht bevat. Daarnaast spelen mee: te weinig lichaams­ beweging, overgewicht, verslapte buikspieren en verwaarlozen van de defeca­ tiedrang, de drang om naar het toilet te gaan. Obstipatie kan op den duur leiden tot ernstiger darmaandoeningen zoals uitstulpingen van de darmwand (divertikels).

Dieet bij obstipatie
Bij obstipatie is een goede voedingsanamnese van belang. Daarbij moet men niet alleen kijken naar het voedingspatroon van de cliënt, maar ook naar de
hoeveelheid beweging, of de persoon toegeeft aan defecatiedrang en of er laxeermiddelen of bepaalde medicijnen gebruikt worden. Het kan nodig zijn de cliënt door te verwijzen naar een arts of diëtist.

Het dieet bij obstipatie is een voedingsvezelverrijkt dieet. Voedingsvezels stimuleren de darmperistaltiek en vergroten het volume van de ontlasting omdat ze vocht vasthouden, en ze maken de defecatie makkelijker. Omdat vezels vocht binden, is het belangrijk voldoende te drinken: twee liter vocht per dag. Daarnaast is een regelmatige verdeling van vezels over de dag belangrijk.

Een voedingsvezelverrijkt dieet bevat ongeveer 30-40 gram voedingsvezels per dag. Bij iemand die heel weinig vezels gebruikt, kan het al helpen om

10 gram meer te nemen dan men normaal gesproken gebruikte. Het vezelge- ( ) halte dient dan langzaam opgevoerd te worden.
Een overmaat aan vezels is niet goed, omdat deze de absorptie van calcium,
ijzer en zink verminderen.

Aanvullende adviezen zijn: stimuleren van lichaamsbeweging en voldoende tijd te nemen voor toiletbezoek.
Het gebruik van laxeermiddelen wordt afgeraden, omdat deze bij regelmatig innemen de darmen lui kunnen maken, de darmwerking vertragen en op den duur juist leiden tot obstipatie.

Bij diarree is er sprake van veelvuldige ontlasting, die brijachtig tot waterig van consistentie is. De hoeveelheid ontlasting per keer kan zowel groot als klein zijn, afhankelijk van de oorzaak van de diarree. De geur en ook de kleur van de ontlasting zijn anders dan normaal.

Oorzaken van diarree
Diarree kan vele oorzaken hebben. Genoemd kunnen worden:
• bacteriële of virale infecties, zoals voedselinfecties
• intolerantie voor bepaalde voedingsstoffen of voedingsmiddelen, bijvoor­ beeld een intolerantie voor lactose (melksuiker) door het ontbreken van het enzym lactase
• afwijkingen aan de darmwand, waardoor vocht onvoldoende kan worden teruggeresorbeerd uit de darm
• overmaat aan vetzuren en galzuren, doordat de dunne darm niet in staat is deze (terug) te resorberen
• een bijwerking van medicijnen
• een overmatig gebruik van laxeermiddelen.
Diarree kan acuut optreden, vaak als gevolg van een voedselinfectie. Maar ook kan er sprake zijn van een chronische vorm, die minder heftig is, maar wel samen gaat met verlies van vocht en zouten.

Dieet bij diarree
Wat betreft voeding en diarree zijn de inzichten veranderd. Tegenwoordig wordt er geadviseerd om bij diarree zo veel mogelijk te eten volgens de Richt­
lijnen Goede Voeding.
Vroeger dacht men dat het niet goed was om tijdens diarree voeding met vezels te gebruiken. Nu weten we beter en het blijkt juist dat vezels ook goed zijn bij diarree. Vezels trekken vocht aan en houden dit vast, tevens zorgen zij ervoor dat de darmen beter hun werk kunnen doen. Het eten van een volkoren boterham en een stuk fruit bij diarree zorgt er dus voor dat de darmen sneller weer hun normale werk kunnen oppakken.

Verder is het belangrijk om goed naar het lichaam te luisteren, dit kan bijna altijd goed aangeven waar het wel of geen behoefte aan heeft. Dus wanneer men bij diarree trek heeft in een boterham met kaas, kan men dit gerust eten. Daarnaast is het erg belangrijk voldoende te drinken om het verhoogde vochtverlies te compenseren.

Vocht
In eerste instantie is het aanvullen van het verloren vocht het belangrijkst. Men moet streven naar een vochtopname van minimaal 2 liter per dag. Als dranken kan men nemen:

• bouillon, niet te zout
• thee
• warme melk (met honing)
• liever geen koffie
• vruchtensap, in het begin verdunnen
• limonadesiroop, sterk verdunnen
• water (eventueel met enkele druppels citroensap)

In het begin van de diarreeperiode kunnen het beste alleen water, thee, bouillon of sterk verdunde limonadesiroop, diksap of vruchtensap worden gedronken. Appelsap dient vermeden te worden; het kan de diarree namelijk verergeren als gevolg van de hoeveelheid fructose.

Veelvuldig kleine maaltijden
De voeding moet zo veel mogelijk over de gehele dag worden verspreid door veelvuldig kleine maaltijden aan te bieden. De darmen worden op die manier het minst belast.

Temperatuur
De temperatuur van het vocht en de voeding moet niet te heet of te koud zijn.

Combineren vaste en vloeibare voeding
Door binnen een eetmoment zo veel mogelijk vaste voeding met vloeibare voeding te combineren, wordt zowel vocht als voeding beter verdragen.
Bijvoorbeeld een kopje thee met een beschuitje of een glaasje (verdunde) vruchtensap met een plakje ontbijtkoek dun besmeerd met halvarine.

Broodmaaltijden
Bij voorkeur gebruiken:
• (volkoren) beschuit
• knäckebröd, rijstewafel
• lichtbruin brood of volkorenbrood
• dun besmeren met (room)boter
• magere kaas, magere vleeswaren
• dun zoet beleg
• yoghurt.

Warme maaltijd
Bij voorkeur gebruiken:
• licht verteerbare groenten (geen ui, prei, kool) zonder saus
• gekookte aardappelen (geen puree, gebakken of gefrituurde aardappelen)
• (zilvervlies)rijst of (volkoren)pasta
• stukje ongepaneerd mager vlees, of vleesvervanger
• geen of magere jus/saus
• geen scherp gekruide gerechten of sauzen
• toe: vruchtenmoes, (biogarde)yoghurt.

Tussendoor
Bij voorkeur gebruiken:
• (volkoren)bis cuitjes, knäckebröd, beschuitje
• banaan, appel, peer, vruchtenmoes
• (biogarde)yoghurt.

Aan citroen, bosbessensap, rijstewater, geraspte appel en kaneel wordt een stoppende werking toegeschreven. Wetenschappelijke argumenten hiervoor
zijn niet bekend, maar in de praktijk blijken deze producten soms werkzaam te zijn.

Afhankelijk van de oorzaak van de diarree is het meestal echter niet noodza­ kelijk langdurige aanpassingen in de voeding te maken

Voedselallergie en voedselintolerantie

Voedselovergevoeligheid is een verzamelnaam voor een ongewenste reactie op voedsel. We onderscheiden twee vormen:
• voedselallergie
• voedselintolerantie.

Voedselallergie
Een voedselallergie is een afwijkende reactie van het immuunsysteem op
voedingsmiddelen of voedingsbestanddelen. Het immuunsysteem maakt
specifieke antistoffen tegen eiwitten die in de voeding voorkomen.

Immuunsysteem
Ons lichaam kent diverse afweermogelijkheden tegen stoffen waarmee het in aanraking komt en tegen diverse invloeden van buitenaf. Dit noemen we het afweer- of immuunsysteem.Vereenvoudigd weergegeven gebeurt het volgende.

Wanneer het lichaam in contact komt met een lichaamsvreemde stof, is het in staat die stof te herkennen en te onderscheiden van een lichaamseigen stof.
Zo’n lichaamsvreemde stof noemen we een antigeen. Het lichaam wil dit
antigeen onschadelijk maken. Dit gebeurt door grote cellen, de macrofagen,
die het antigeen insluiten en afbreken.
Ook kunnen de macrofagen het antigeen overdragen aan de lymfocyten (witte bloedcellen) die voor uitschakeling van het antigeen zorgen. Lymfocyten worden aangemaakt door het beenmerg. Daarna worden ze enigszins veranderd door de thymus (klier, ook wel zwezerik genoemd) (tot T-cellen) of door de darmen (tot B-cellen). De B-lymfocyten en T-lymfocyten reageren elk op hun eigen manier op antigenen.

Wanneer een B-lymfocyt in aanraking komt met een antigeen, zal hij reageren door het produceren van antistoffen. Deze antistoffen worden immunoglobu­ linen genoemd (Ig). Een immunoglobuline is specifiek. Dit houdt in dat één immunoglobuline op één bepaald antigeen reageert.
Er is een verzameling immunoglobulinen tegen onder andere virussen en bacteriën (IgG). Er zijn ook immunoglobulinen die optreden bij allergische reacties (IgE).
Via het bloed (dus via vocht) komen immunoglobulinen terecht op de plaatsen waar ze hun afweerfunctie uitoefenen. Dit noemen we de humorale immuniteit (humor= vocht).

Wanneer T-lymfocyten in aanraking komen met een antigeen, produceren ze antistoffen die ze vervolgens naar de antigenen toe brengen. De T-cellen zijn
dan dus tevens carrier (drager). Dit noemen we de cellulaire immuniteit. De afweer is gericht tegen onder meer bacteriën, virussen, schimmels en stoffen die gevaarlijk kunnen zijn voor het lichaam. Dit zorgt ervoor dat er geen ongewenste reacties plaatsvinden met eiwitten uit de voeding.

Mechanisme bij allergie
Bij een allergie worden voedselbestanddelen wel herkend, maar vindt er een abnormale reactie plaats van het immuunsysteem. Het immuunsysteem herkent het voedingsbestanddeel dus wel, maar reageert alsof het een antigeen is. We onderscheiden verschillende typen allergieën.

Type-I-allergie
Hierbij is er sprake van een allergische reactie op voedseleiwitten. Daarbij worden zogenoemde IgE-antilichamengevormd, die specifiek gericht zijn tegen een bepaald eiwit uit de voeding, bijvoorbeeld tegen koemelkeiwit. De reacties vinden over het algemeen plaats binnen vijf tot tien minuten na contact met het allergeen.
Wanneer het antigeen een voedseleiwit is, spreken we van een allergeen. Deze vorm van allergie komt het meest voor en hierover is ook het meest bekend.

Type-II-allergie
Deze allergie wordt waarschijnlijk niet door voedsel, maar door bloedgroep­ reacties veroorzaakt en laten we hier dus buiten beschouwing.

Type-III-allergie
Hierbij spelen IgG-antistoffen een rol, waardoor zes tot acht uur na contact allergische reacties ontstaan, bijvoorbeeld een reactie op schimmel of vogelpoep.

Type-IV-allergie
Hierbij spelen de T-lymfocyten een rol. Na 24 tot 48 uur ontstaat een ontsteking, zoals contacteczeem door nikkel.

Vooral allergietype I wordt veroorzaakt door voedselbestanddelen. Wanneer het lichaam in contact komt met een antigeen, treedt er niet direct een allergische reactie op. Eerst is er een periode waarin de immunoglobu­ linen worden gevormd; in deze periode wordt men gevoelig voor het antigeen. Deze periode wordt de sensibilisatieperiode genoemd. Als men eenmaal gevoelig is voor een bepaald allergeen, kan al een geringe hoeveelheid van dat allergeen een allergische reactie veroorzaken.

De IgE-antilichamen binden zich aan bepaalde lichaamscellen, de zogenaamde mestcellen. Wanneer de mestcellen in contact komen met het allergeen, zal dit zich gaan binden aan het antilichaam (hier dus IgE) op de mestcel. De mestcellen vallen uit elkaar en storten stoffen uit die mediatoren worden genoemd. Deze stoffen, die in de normale situ atie nuttige functies hebben in het lichaam, veroorzaken bij een overdosis vervelende klachten. Een voorbeeld van zo’n mediator is histamine.

Voedselintolerantie
Ook bij intolerantie gaat het om een abnormale reactie op voedselbestand­ delen. Echter, bij een intolerantie is niet het imm uunsysteem betrokken, zoals
bij een allergie. De intolerantie is niet uitsluitend gericht op eiwitten, maar kan ook worden veroorzaakt door suikers (zoals lactose en sacharose), door additieven en bestanddelen van geneesmiddelen.
In tegenstelling tot een allergische reactie, waarbij al een kleine hoeveelheid
van het allergeen tot een reactie leidt, dient bij een intolerantie een bepaalde
drempel overschreden te worden voordat er een reactie optreedt. Voedselinto- lerantie wordt in de medische wereld tegenwoordig omschreven als ‘niet-al- lergische voedselovergevoeligheid’. De voedingsmiddelen die klachten veroor- zaken, worden ‘triggers’ genoemd.

Oorzaken voedselintolerantie
Intolerantie kan erfelijk bepaald zijn door een aangeboren tekort van een bepaald enzym. Een duidelijk voorbeeld hiervan is een tekort aan het enzym lactase, waardoor lactose (melksuiker) niet kan worden gesplitst in de dunne darm. Dit leidt tot diarree. We spreken dan van een intolerantie voor lactose.

Een intolerantie kan ook worden veroorzaakt door stoffen die de bioche­ mische processen in ons lichaam benvloeden. Deze stoffen kunnen afkomstig zijn uit de voeding of uit geneesmiddelen, of kunnen bestaan uit voedseladdi­
tieven (bijvoorbeeld het conserveermiddel sulfiet) en contaminanten.
Het opsporen van een allergie of intolerantie is vaak een moeizaam karwei. Het is meestal niet eenvoudig te achterhalen of iemand last heeft van een voedselovergevoeligheid. Eerst moet worden uitgesloten dat de klachten geen andere oorzaak hebben. Een arts onderzoekt dit door eerst een anamnese bij de patiënt af te nemen.

De voedingsanamnese wordt afgenomen door een gespecialiseerde diëtist. Daarbij wordt genoteerd waaruit het voedselpakket bestaat, welke merken van voedingsmiddelen worden gebruikt, of er veranderingen van klachten zijn bij bijvoorbeeld etentjes buitenshuis of tijdens vakanties. Met behulp van deze anamnese kan de diëtist bekijken of er een relatie is tussen de klachten en het voedingspatroon. Ook beoordeelt de diëtist of de voeding volwaardig is. Bij een onvolwaardige voeding kunnen namelijk ook klachten ontstaan.
Omdat het behandelen van voedselallergieën en voedselintoleranties op het medisch terrein liggen, zullen we hier niet al te diep op ingaan.

Wanneer uit de anamneses het vermoeden is ontstaan dat er sprake is van I
voedselovergevoeligheid voor een of meer voedingsmiddelen, kan men vervolgens met aanvullende onderzoeken deze vermoedens bevestigen of weerleggen.

Eliminatiediëten
Uit vorenstaande onderzoeken kan blijken dat iemand mogelijk allergisch
reageert op bepaalde voedingsmiddelen.Soms blijkt uit een van de testen dat iemand overgevoelig is voor een voedingsmiddel, terwijl die persoon bij het eten van het voedingsmiddel nooit klachten heeft gehad. Daarom is altijd een eliminatie-provocatiedieet nodig om uit te zoeken of het lichaam ook echt allergisch reageert op de gevonden voedingsmiddelen.
Het kan echter ook voorkomen dat uit vorenstaande testen blijkt dat iemand niet overgevoelig zou zijn voor voedingsmiddelen, terwijl er toch klachten zijn. Ook in dat geval wordt er een eliminatie-provocatiedieet voorgeschreven door de diëtist.

Bij een eliminatiedieet worden die voedselbestanddelen of voedingsstoffen uit de voeding weggelaten (geëlimineerd) waarvan men denkt dat ze een allergie
of intolerantie veroorzaken. Afhankelijk van de klachten dient dit dieet twee tot vier weken te worden gevolgd. Wanneer het lastig is om de boosdoeners te achterhalen, kan het dieet echter veel langer en strenger worden voortgezet.
Indien de klachten niet afnemen, wordt vastgesteld dat er geen sprake is van een voedselovergevoeligheid.
Het eliminatiedieet wordt gevolgd door een provocatieetst. De patiënt wordt
dan weer blootgesteld aan het voedingsmiddel of de voedingsmiddelen die eerst waren geëlimineerd. Het provoceren van voedingsmiddelen wordt per voedingsmiddel uitgetest. Als de klachten door de eliminatie waren afgenomen, gaat men nu kijken hoe de patiënt reageert op het weer eten van de voedingsmiddelen.Wanneer de klachten dan weer terugkomen, is de voedselovergevoeligheidop dat desbetreffende voedingsmiddel aangetoond.

Omdat de kans bestaat dat iemand op een voedingsmiddel reageert met een levensbedreigende reactie, zoals in shock raken (ook wel anafylactische shock genoemd), mag nooit zomaar een provocatietest worden gedaan. Alleen in het ziekenhuis, onder toeziend oog van een arts, kan men kiezen om te provo­ ceren.

Naar aanleiding van het eliminatie-provocatiedieet kan onomstotelijk vast komen te staan voor welke voedingsmiddelen iemand overgevoelig is.
Vervolgens stelt de diëtist samen met de patiënt een plan op, waarbij nadruk­ kelijk wordt gekeken hoe de patiënt toch zo veel mogelijk normaal kan eten, ondanks de beperkingen.

Symptomen
De klachten die optreden bij voedselovergevoeligheid kunnen zeer uiteen­ lopen. Ze kunnen worden ingedeeld in een aantal hoofdgroepen.

Huid
• constitutioneel (atopisch) eczeem, dat wil zeggen dat het eczeem erfelijk is
• contacteczeem (de huid reageert op allergenen waarmee het in contact is geweest)
• urticaria (netelroos/galbulten)
• angio-oedeem aan lippen en oogleden (in de bloedvaten ontstaat stuwing, waardoor vocht uittreedt in de weefsels, waardoor er tijdelijke verdik­ kingen ontstaan).

Luchtwegen
• astma
• neusverstopping
• loopneus
• niezen
• chronische hoest
• jeuk aan verhemelte, in de keel en in de oren
• bijholteontsteking
• glottisoedeem: vochtophoping in de keel, waardoor slikklachten en benauwdheid optreden en zelfs verstikking kan plaatsvinden.

Maagdarmklachten
• misselijkheid
• aften (zweertjes in de mond)
• braken
• flatulentie (winderigheid)
• diarree
• opgezwollen buik
• buikpijn
• darmontstekingen
• obstipatie
• zuurbranden.

Ogen
• jeuk
• tranen
• roodheid.

Overige
• hoofdpijn en migraine
• chronische vermoeidheid
• reumatoïde artritis (gewrichtsontstekingen)
• shock (een toestand waarbij de bloedvaten sterk verwijden; hierdoor verlaagt de bloeddruk, het bloed circuleert niet meer goed en kan de
weefsels niet meer goed voorzien van zuurstof en voeding. Deze toestand ( is levensgevaarlijk).
Wanneer een shock wordt veroorzaakt door een overgevoeligheidsreactie, spreken we van een anafylactische shock (anafylaxie= overgevoeligheid voor een bepaalde stof).

Reacties veroorzakende voedingsmiddelen
Bijna alle voedingsm iddelen zijn in staat een allergische reactie te veroor­ zaken. Een aanta l producten blijkt echter vaker allergeen te werken dan andere en veel gegeten te worden in Nederland, zoals:
• koemelk
• kippenei
• tarwe
• soja
• pinda”s
• noten
• vis
• schaal- en schelpdieren
• kiwi
• koriander
• selderij
• rogge
• sesam
• sulfiet
• lupine (verwerkt als meel in producten).

Dit zijn de producten waarbij het vaakst klachten zijn geconstateerd. Elk voedingsmiddel kan in principe elke klacht uitlokken die we hiervoor besproken hebben. Er is dus over het algemeen geen specifiek verband tussen een bepaald voedingsmiddel en een bepaalde klacht.

Eetstoornissen

Bij een eetstoornis is er sprake van abnormaal eetgedrag dat leidt tot bescha­ diging van lichaam en geest. Eetstoornissen komen overal ter wereld voor, maar vooral voor in westerse landen. De belangrijkste kenmerken zijn een obsessie met eten, niet-eten en het gewicht. De meeste mensen met een eetstoornis kampen met een zeer negatief zelfbeeld en lichaamsbeeld.
De bekendste eetstoornissen zijn anorexia nervosa en boulimia nervosa, maar ook andere eetstoornissen kunnen zich voordoen.

Anorexia nervosa
Anorexia nervosa wil letterlijk zeggen: eetlustgebrek door nerveuze oorzaken. Eigenlijk geeft deze naam de waarheid niet weer: er is geen sprake van een gebrek aan eetlust, maar de patiënt dwingt zichzelf zeer kleine hoeveelheden te eten.

De ziekte werd al in de l 7de eeuw beschreven door een Engelse arts en in de l 9de eeuw werd de term ‘anorexia nervosa’ voor het eerst in wetenschappe­lijke literatuur beschreven. Halverwege de 20ste eeuw ontstond er meer belangstelling voor het verschijnsel waarbij mensen zichzelf uithongeren.

Eetstoornissen komen meer voor bij vrouwen dan bij mannen: van alle mensen die lijden aan anorexia en boulimia nervosa is 90-95% vrouw, 5-10% is man. Per jaar komen er zo’n 1.300 personen met anorexia bij, dit zijn 8 op de 100.000 mensen. Anorexia nervosa komt voornamelijk voor bij meisjes in de puberteit en bij jonge vrouwen, maar kan ook op latere leeftijd optreden.

Het lijkt erop dat het aantal mannen dat aan anorexia lijdt, onder gerappor­teerd wordt. Door de nadruk op het voorkomen van de ziekte bij jonge meisjes wordt nog wel eens gedacht, ook door artsen, dat de ziekte bij jongens of volwassen vrouwen en mannen niet voorkomt.

Een directe oorzaak van deze eetstoornis is nog niet gevonden. Meestal is er sprake van een samenspel van risicofactoren, die we kunnen indelen in:
• biologische risicofactoren
• psychische risicofactoren
• sociaal-culturele risicofactoren
• overige risicofactoren.
Biologische risicofactoren
Er zijn steeds meer onderzoeksresultaten beschikbaar, waaruit een genetische risicofactor naar voren komt. Deze informatie is vooral afkomstig uit tweeling- en adoptiestudies.

Momenteel wordt er veel onderzoek verricht naar het hormoon leptine,dat vooral bekendheid kreeg door onderzoek naar obesitas. Leptine beschermt het lichaam tegen uithongering door het basaal metabolisme op een laag pitje te zetten als er langd urig weinig voedsel wordt genomen. Bij mensen met anorexia nervosa blijken de leptinegehaltes lager te liggen. Er lijkt daardoor geen bescherming te zijn tegen uithongering.

Er is ook een aanwijzing, dat een tekort aan het mineraal zink invloed heeft op het ontstaan van anorexia nervosa. Momenteel wordt er meer onderzoek gedaan naar biologische verklaringen voor het ontstaan van de ziekte.

Psychische risicofactoren
Bepaalde psychiatrische aandoeningen, zoals een depressie, kunnen een risicofactor vormen.

Daarnaast kan er sprake zijn van een onvoldoende ontwikkeld zelfbewustzijn, (\ een enorm minderwaardigheidsgevoel, een negatieve zelfevaluatie, perfectio-
nistisch gedrag en een gebrek aan controle over het eigen leven. In de jaren zestig van de vorige eeuw werd door een Amerikaanse psychiater, Hilde Bruch, al geschreven over het gevoel geen zeggenschap te hebben over het eigen leven. Controle over het eetgedrag werd dan de enige manier om nog enige zeggenschap te hebben.Vaak zijn mensen voordat ze een eetstoornis ontwikkelen heel lief en aangepast en proberen ze conflicten te vermijden.

De puberleeftijd met al zijn onzekerheden is ook een extra risicofactor. Ook de manier van omgaan met stress of het overlijden van een geliefd persoon zou van invloed kunnen zijn op het ontstaan van een eetstoornis.

Sociaal-culturele risicofactoren
In de westerse landen wordt veel nadruk gelegd op het uiterlijk van vooral vrouwen. De ideale vrouw moet bij voorke ur jong en mooi, maar vooral slank zijn om succes te kunnen hebben in het leven. Dit kan leiden tot extreem
lijngedrag om maar aan de eisen van dit ideaal te voldoen. (

Vanuit patiënten met een eetstoornis zelf wordt deze factor zelden tot nooit genoemd als oorzaak. Wel is bekend dat gaan lijnen om slank te zijn op zichzelf een risico is om gestoord eetgedrag te vertonen .

Vrouwen die om professionele redenen slank moeten zijn, vormen een risico­ groep; daarbij kunnen we denken aan fotomodellen, ballerina’s, turnsters en mannequins.

Overige risicofactoren
Enkele andere risicofactoren om anorexia te ontwikkelen, zijn:
• lijngedrag van de moeder
• een nare gebeurtenis binnen het gezin, bijvoorbeeld het overlijden van een ander kind, waardoor overbescherming is ontstaan
• bij 30% van de anorexia-patiënten is er sprake van seksueel misbruik in de kindertijd.

Kenmerken van anorexia nervosa zijn:
• extreem gewichtsverlies en handhaving van een gewicht dat lager kan zijn dan de normale situatie voor iemand van die lengte en leeftijd
• extreme angst om aan te komen of dik te worden, terwijl er al onderge­ wicht bestaat
• een verstoord beeld van eigen lichaamsgewicht en lichaamsomvang: men ‘ziet’ zichzelf dikker dan de werkelijkheid.

Daarnaast treden als uiterlijke kenmerken op: een lage lichaamstemperatuur, langzame pols, lage bloeddruk, een opgeblazen gezicht (vochtophoping door eiwittekort) en een droge, schilferachtige huid. Het gebit kan in een slechte toestand verkeren door aantasting van maagzuur, veroorzaak t door veelvuldig braken. Door het maagzuur wordt het glazu ur aangetast, waardoor het gebit ernstig beschadigd wordt. Het haar is dof en droog door een tekort aan eiwit en vitamines en er kan donsbeharing optreden op onder andere gezicht, armen en rug.

Als psychische kenmerken kunnen we nog noemen dat er grote angst bestaat om te moeten eten en om aan te komen. Het negatieve zelfbeeld, dat vaak sluimerend aanwezig is, wordt tijdens de ziekte nog meer versterkt.

De vermageringspogingen bestaan niet alleen uit weinig of niet eten, maar ook uit laxantiamisbruik, braken na het eten, stiekem wegwerken van voedsel en overdreven lichamelijke activiteit. Niet alle patiënten zullen gebruikmaken van purgerende (maagledigende) middelen als laxantia en braken.
Anorexia nervosa kan grote sociale problemen met zich brengen, zowel voor de patiënt zelf als voor de omgeving.
Daarnaast is anorexia nervosa de meest dodelijke ziekte van alle psychia­ trische ziektebeelden: ongeveer 5% overlijdt aan de gevolgen van de uithon­ gering of door zelfdoding.
De behandeling is veelal gericht op de psychosociale problematiek en gebeurt
door een team van deskundigen, waarvan een arts, psycholoog of psychiater en een diëtist deel uitmaken.

Om anorexia nervosa goed te kunnen behandelen, is het wel noodzakelijk dat de anorexianervosapatiënt een bepaald lichaamsgewicht heeft; de patiënt moet in staat zijn om zelf te denken. Bij ernstig ondervoede patiënten is dit niet goed mogelijk, zodat de behandeling van de psychosociale problematiek geen vruchten zal afwerpen. Dat neemt niet weg, dat ook bij extreem onder­ gewicht psychosociale steun erg belangrijk is. Vaak wordt motivationele behandeling toegepast. Hierbij wordt de patiënt gemotiveerd om hulp te zoeken, waarbij de hulp aansluit bij wat de patiënt aankan.

Voedingsmaatregelen kunnen op grote weerstand stuiten en vereisen hulp van een op dit gebied ervaren diëtist. Zeer in het algemeen kunnen we stellen dat de voeding een ruime hoeveelheid eiwit, koolhydraten, vitamines en mineralen moet leveren. Vetrijke voeding zal worden afgewezen vanwege de grote angst om dik te worden. Wanneer het gewicht van de patiënt onder een bepaalde grens komt, wordt vaak sondevoeding gegeven. Dit is echter alleen geïndiceerd bij levensbedreigende situaties en kan door patiënten als zeer traumatisch worden ervaren.

Boulimia nervosa
Nauw verwant aan anorexia nervosa is boulimia nervosa. Letterlijk betekent dit: eetlust als een os door nerveuze oorzaken.
Ook deze term geeft niet helemaal de waarheid weer: het is niet zozeer de
honger die de patiënt doet eten, maar het naar binnen werken van voedsel staat centraal.
In de l 8de eeuw werd deze ziekte al beschreven. De eerste klinische
beschrijving dateert van 1944, maar pas in 1979 werd boulimia nervosa als apart ziektebeeld opgenomen in psychiatrische handboeken.
Kenmerkend voor boulimia nervosa zijn:
• de regelmatig terugkerende eetbuien (één of meer eetaanvallen per week), waarbij grote hoeveelheden voedsel worden geconsumeerd
• het controleverlies over het eten; de patiënt kan niet meer stoppen met
• gebruik van laxeermiddelen en braakpogingen, of het instellen van een · vastenperiode om het voedsel weer kwijt te raken, en extreme beweging
• slechte voedselkeuze tijdens de eetbuien; vaak voedsel dat men zichzelf normaal gesproken ontzegt, zoals snoep, koek en ijs, maar in extreme gevallen wordt bevroren voedsel of diervoeding gegeten of haalt men eten uit de vuilnisbak.
• eten wanneer men alleen is, oftewel gedrag verbergen voor omgeving.

Net als bij anorexia nervosa kan er sprake zijn van een slecht gebit door braken en een droge huid door gebruik van laxeermiddelen, vochtafdrijvende middelen en door braken.

Ook boulimia nervosa komt meer voor bij vrouwen dan bij mannen. Ongeveer 50% procent van de mensen die te kampen hebben met boulimia, lijdt tegelijkertijd aan anorexia nervosa; vaak volgt boulimia nervosa na een periode van anorexia nervosa. Soms ontstaat anorexia nervosa na een periode van eerst boulimia nervosa; de ziektes kunnen in elkaar overlopen. Nog eens 40% van de boulimia-patiënten lijdt aan obesitas. Meestal is er sprake van een normaal lichaamsgewicht.
Uit onderzoek is gebleken dat boulimia vooral optreedt na een periode van gewichtsverlies, veroorzaakt door onder andere lijnen, na een ziekte of anorexia nervosa. Ook komt boulimia voor na een emotioneel trauma, vooral bij slachtoffers van seksueel geweld.

Bij mogelijke oorzaken spelen dezelfde risicofactoren een rol als bij anorexia nervosa.
Net als bij anorexia nervosa kunnen de psychosociale en lichamelijke
gevolgen voor de boulimianervosapatiënt ernstig zijn. Behalve gebitspro­ blemen kunnen er maag- en darmklachten ontstaan. In extreme gevallen krijgen patiënten een kunstgebit of een stoma als gevolg van langdurig braken of laxeren. In zeldzame gevallen kan de maag scheuren als gevolg van eetbuien.

Behandeling vindt plaats door een team van deskundigen. Inzicht geven in en 1 )
beïnvloeden van het eetgedrag zijn enkele van de onderdelen van de behan-deling van boulimia.
Ook zijn er diverse zelfhulpgroepen, vanuit de Anonieme Overeters of vanuit diverse regionale zelfhulporganisaties. Een zelfhulpgroep wordt begeleid door
mensen die zelf een eetstoornis hebben gehad.

Andere eetstoornissen
Naast anorexia en boulimia nervosa zijn er nog andere eetstoornissen. We
bespreken hier kort nog de ‘Binge eating disorder’, ‘orthorexia nervosà en ‘anorexia athletica’.

Binge eating disorder
De’binge eating disorder’ (binge = eetfeest, braspartij; eating disorder= eetstoornis), wordt ook wel eetbuienstoornis genoemd. Deze eetbuienstoornis komt voor bij ongeveer een derde van de mensen met obesitas.

Er zijn wel enkele overeenkomsten met boulimia nervosa, waaronder psychia­ trische klachten, maar in tegenstelling tot bij boulimiapatiënten wordt er niet telkens gelijnd en wordt er niet gecompenseerd om het eten kwijt te raken door middel van bijvoorbeeld braken en laxantiamisbru ik.

Binge eating disorder begint vaak op latere leeftijd dan anorexia en boulimia nervosa, en het percentage mannen dat hieraan lijdt is hoger dan bij de andere eetstoornissen, ongeveer 50%.

Orthorexia nervosa
Deze stoornis komt voort uit een ziekelijkefixatie om gezond te willen eten, alleen het beste te willen. Er wordt niet te weinig of te veel gegeten maar vaak wel eenzijdig. Dit komt doordat de patiënt sommige producten niet goed vindt en dus niet eet of drinkt. Er bestaat dan ook een risico op een tekort aan voedingstoffen. Orthorexia nervosa is geen bestaande term in medische handboeken. Vaak ontstaat het na een periode van anorexia nervosa.

Anorexia athletica
Dit is een stoornis die vaker bij jongens kan voorkomen dan de andere eetstoornissen. Net als bij de andere eetstoornissen komt ook deze eetstoornis vaker bij meisjes voor dan bij jongens. De stoornis bestaat uit extreem veel bewegen en sporten, eventueel gecombineerd met een eetstoornis. Sommige patiënten willen steeds langer en fanatieker doorgaan met sporten en steeds grotere prestaties leveren.

Tot slot
U hebt in dit hoofdstuk kennisgemaakt met een aantal ziektebeelden die in de praktijk van een gewichtsconsulent voor kunnen komen. Zoals vermeld, is het belangrijk dat u, als u deze cliënten op uw spreekuur krijgt, zo snel mogelijk doorverwijst naar huisarts of diëtist. Een gewichtsconsulent of voedingsad­ viseur is opgeleid om gezonde mensen met overgewicht te begeleiden. Met behulp van de kennis uit dit hoofdstuk bent u beter in te staat te beoordelen wanneer de klacht van de cliënt uw expertise te boven gaat.

 

 

Geef een reactie